Conclusie
Nummer21/00548
Inleiding
Het middel
1.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld wegens opzettelijk niet voldoen aan een gebiedsverbod opgelegd door de burgemeester van Breda, gebaseerd op artikel 2.3.13 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Breda 2004. Het hof verklaarde bewezen dat de verdachte zich niet had gehouden aan het gebiedsverbod, dat werd omschreven als een bevel.
De Hoge Raad stelt in zijn conclusie dat artikel 2.3.13 APV Breda slechts de bevoegdheid geeft aan de burgemeester om een besluit te nemen waarin een gebiedsverbod is opgenomen, maar niet uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het geven van een bevel of vordering. Hierdoor is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd omdat het vereiste van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel of vordering ontbreekt.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad luidt dat het middel slaagt en dat de bestreden uitspraak van het hof vernietigd moet worden. De zaak wordt terugverwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling en beslissing, waarbij de motivering van het bevel of de vordering adequaat moet worden onderbouwd.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de feiten, waaronder het gebiedsverbod, de locatie en datum van overtreding, en de relevante wetsartikelen. Tevens wordt verwezen naar eerdere jurisprudentie over de vereisten van een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel in het kader van artikel 184 Sr Pro.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling wegens ontoereikende motivering van het gebiedsverbod als bevel.