Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1keert zich tegen de uitleg door het hof van artikel 6 van Pro de borgstellingsovereenkomst.
Onderdeel 2betoogt dat het hof heeft verzuimd artikel 10 van Pro de borgstellingsovereenkomst ambtshalve te toetsen aan de Richtlijn oneerlijke bedingen.
Onderdeel 3richt zich tegen de verwerping van het beroep op dwaling.
Onderdeel 4ziet op de verwerping van het beroep op rentecompensatie als verweermiddel ex artikel 7:852 lid 1 BW Pro. De onderdelen bevatten telkens subonderdelen met klachten.
Subonderdeel 1.3vervolgt dat ingeval niet alle feiten zijn komen vast te staan om tot een uitleg contra proferentem over te kunnen gaan, het hof miskent dat bij aanwezigheid van voldoende gegevens om te vermoeden dat een overeenkomst (i) onder het bereik van de Richtlijn oneerlijke bedingen valt en (ii) een beding bevat ten aanzien waarvan twijfel bestaat over de betekenis daarvan, het ambtshalve dient te onderzoeken of dat beding contra-proferentem dient te worden uitgelegd en daartoe zo nodig instructies had dienen te geven.
Subonderdeel 1.5noemt het onbegrijpelijk als het bestreden arrest zo moet worden begrepen dat geen sprake is van twijfel over de betekenis van artikel 6 en Pro de tweede volzin in het bijzonder. De tweede volzin en de uitdrukkelijk beperking tot niet-particuliere borgen maakt het volgens de klacht dat minst genomen aan twijfel onderhevig is of de verbintenis van een particuliere borg in stand blijft na afstand van de Bank tegenover andere borgen, aldus de klacht.
subonderdeel 1.4de klacht van subonderdeel 1.2 herhaalt, faalt het om de eerder gegeven redenen.
Het subonderdeel faalt echter, omdat het hof bij zijn uitleg van artikel 6 van Pro de borgstellingsovereenkomst niet hoefde te betrekken wat de gevolgen zouden zijn van een afstand van recht door de Bank jegens de andere borgen voor de verhaalspositie van de Borg jegens die andere borgen, nu op deze omstandigheid in feitelijke instanties geen beroep is gedaan (althans de klacht verwijst niet naar vindplaatsen in de processtukken in feitelijke instanties waaruit dit zou blijken) en het hof niet verplicht was om deze omstandigheid ambtshalve te betrekken bij zijn uitleg van artikel 6 van Pro de borgstellingsovereenkomst. Het gaat hier om uitleg van een overeenkomst en niet om het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden in de zin van artikel 25 Rv Pro.
Indien het verhaal op een hoofdelijke schuldenaar geheel of gedeeltelijk onmogelijk blijkt, wordt het aandeel van ieder der andere schuldenaren, zelfs van hen jegens wie de schuldeiser inmiddels afstand van zijn vorderingsrecht had gedaan, onderling naar evenredigheid verhoogd.”
Subonderdeel 2.1klaagt, samengevat, dat het hof heeft miskend dat indien de rechter beschikt over de daartoe noodzakelijke gegevens om te vermoeden dat (i) een overeenkomst onder het bereik valt van de Richtlijn oneerlijke bedingen en (ii) een beding bevat dat oneerlijk is in de zin van deze richtlijn, hij ambtshalve dient te onderzoeken of dat beding oneerlijk is, ook indien de stellingen die aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd niet daarop zijn gericht. Voor het geval het hof dit niet heeft miskend, formuleert
subonderdeel 2.2een motiveringsklacht.
Hieraan ligt ten grondslag (i) dat de Borg moet worden aangemerkt als ervaren investeerder/ondernemer, die in staat was de consequenties van de ondertekening van de (helder en begrijpelijk verwoorde) borgstellingsakte te doorgronden en die mede gelet op zijn (voormalig) beroep als registeraccountant ook goed zicht had op financiële en bedrijfseconomische aspecten die bij de kredietverlening door de Bank een rol speelden, (ii) dat de Borg [aandeelhouders en bestuurders 1 en 2] bij de Bank heeft geïntroduceerd omdat dezen problemen hadden met hun toenmalige bank ING Bank, bij het eerste gesprek over de aan kredietnemers te verstrekken leningen aanwezig was en ook nadien bij gesprekken over de kredietverlening betrokken was, dat hij in de contacten met de Bank als de adviseur van kredietnemers optrad en op verzoek van de Bank financiële gegevens van kredietnemers verstrekte en (iii) dat kredietnemers ten tijde van de kredietverlening, de ondertekening van de borgtochtakte en de vestiging van de hypotheek klant waren van het accountantskantoor waarvan de Borg directeur en enig aandeelhouder was (rov. 3.5). In het licht van deze feitelijke vaststellingen verwerpt het hof de stelling van de Borg dat hij zich op “volstrekt ondoordachte wijze” als vriendendienst borg heeft gesteld, zonder dat hij op de hoogte was van de financiële toestand van kredietnemers en het risico dat hij als borg liep om door de bank te worden aangesproken.
Het hof oordeelt vervolgens dat de Bank de Borg kan houden aan diens verklaring in artikel 10 van Pro de borgstellingsovereenkomst (rov. 3.6).
subonderdelen 3.1 t/m 3.3behelzen de klacht dat onvoldoende gemotiveerd althans onjuist is dat het hof de verwerping van het beroep op dwaling baseert op deze overweging. Deze overweging doet volgens de klacht niets af aan het betoog van de Borg dat de borgstelling tot stand is gekomen onder invloed van dwaling die te wijten is aan een inlichting van de Bank, te weten de toezegging van de Bank dat saldo- en rentecompensatie zou worden toegepast. Het op basis van deze overweging verwerpen van het beroep op dwaling door een onjuiste inlichting is volgens de klacht onjuist omdat het hof daarmee het bepaalde in artikel 6:228 lid 1 onder Pro a BW miskent en omdat degene die (als particulier) bij het aangaan van een overeenkomst afgaat op een onjuiste mededeling van zijn (professionele) wederpartij niet met vrucht kan worden tegengeworpen dat hij de juistheid van deze mededeling had moeten onderzoeken.
subonderdelen 4.1 t/m 4.3zijn gericht tegen de verwerping hiervan in rov. 3.10:
subonderdeel 4.1heeft het hof in rov. 3.10 bij de toepassing van artikel 7:852 lid 1 BW Pro beoordeeld of een ander beleid ten aanzien van saldo- en rentecompensatie zou hebben geleid tot voortzetting van de kredietrelatie en het uiteindelijk aflossen van het krediet door de kredietnemers, waar het had moeten beoordelen of sprake is van een verweer als bedoeld in die bepaling en of dat slaagt. Het hof miskent daarmee dat beslissend is of de kredietnemers aan het ten onrechte niet toepassen van saldo- en rentecompensatie een verweer konden ontlenen ten aanzien van het bestaan, de inhoud of het tijdstip van nakoming van de verbintenis van de kredietnemers.
op de hoogtevan het bedrag waarvoor de Borg aansprakelijk is. De reden hiervoor is dat (onvoldoende concreet is onderbouwd dat) een ander beleid op deze punten ertoe zou hebben geleid dat de kredietrelatie zou zijn voortgezet en dat de kredietnemers in staat zouden zijn geweest om het krediet uiteindelijk in te lossen.
Subonderdeel 4.1 berust daarom op een onjuiste lezing van de bestreden overweging en faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
De Bank heeft in dit verband onder meer aangevoerd (i) dat er naast de overstand voldoende andere redenen waren voor opzegging van de kredietrelatie, (ii) dat alleen al het doorboeken van het krediet en de verlieslatende exploitatie de overstanden veroorzaakten en (iii) dat haar vordering op de kredietnemers, ook na aftrek van de overstand die volgens de Borg door het niet toepassen van rentecompensatie is ontstaan, nog ruimschoots hoger is dan het bedrag van de borgtocht. [25] Op grond daarvan is m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof concludeerde dat de Borg niet voldoende concreet heeft onderbouwd dat hij bij toepassing van rentecompensatie niet of voor een lager bedrag aansprakelijk zou zijn gesteld. Deze redenering behoefde het hof niet uitgebreider te motiveren om begrijpelijk te doen zijn. Hierop stuit af de stelling van het onderdeel dat als de overstand van € 92.925,32 met € 90.000,- zou zijn verminderd, geen sprake was van een materiële tekortkoming.
subonderdeel 4.3heeft het hof niet het door de Borg ingeroepen verweer van de kredietnemers ten aanzien saldo- en rentecompensatie beoordeeld, en valt zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom dit verweer niet zou slagen en waarom de Bank bij een vermindering van de overstand met € 90.000,- het krediet nog had mogen opzeggen.