ECLI:NL:PHR:2022:677
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor witwassen contant geldbedrag van €123.510
Verdachte werd veroordeeld wegens witwassen van een contant geldbedrag van €123.510 dat zij op Schiphol bij zich had, zonder aangifte te doen bij de Douane. Het geld was in aluminiumfolie verpakt en verstopt in adapters en blikken, waaronder 34 coupures van €500, wat een vermoeden van witwassen rechtvaardigde. Verdachte gaf verklaringen over de herkomst, waaronder leningen van vrienden en familie, maar deze waren onvoldoende concreet en niet verifieerbaar vanwege het ontbreken van adresgegevens en bewijsstukken.
De rechtbank en het hof oordeelden dat verdachte het vermoeden van witwassen niet had weerlegd. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees het cassatieberoep af. De Hoge Raad overwoog dat het aan het openbaar ministerie is om feiten en omstandigheden aan te dragen die een vermoeden van witwassen rechtvaardigen, waarna van verdachte mag worden verlangd een concrete, verifieerbare en niet onwaarschijnlijke verklaring te geven. Verdachte voldeed hier niet aan.
Ook de aanvullende argumenten van de verdediging dat het hof onzorgvuldig had gemotiveerd en dat verdachte op essentiële vragen niet had geantwoord, werden door de Hoge Raad verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat het proces-verbaal niet altijd expliciet hoeft te vermelden wanneer verdachte zwijgt en dat het hof zijn oordeel mocht baseren op de totale bewijsvoering en omstandigheden.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk was en dat er geen reden was om het arrest te vernietigen. De verbeurdverklaring van het geldbedrag en de opgelegde straf werden daarmee gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor witwassen van €123.510 wordt bevestigd.