Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die ertoe hebben geleid dat de strafoplegging afwijkt van door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.
tweedemiddel bevat de klacht dat het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is geschonden aangezien de stukken van het geding niet binnen acht maanden nadat het cassatieberoep is ingesteld naar de griffie van de Hoge Raad zijn verzonden.