3.5.Met betrekking tot het bewijs heeft het hof - voor zover relevant - het volgende overwogen:
“Drie steekletsels
Op het lichaam van [slachtoffer] is op 19 december 2017 een gerechtelijke sectie verricht door forensisch patholoog [betrokkene 1] . Blijkens haar rapport van 1 maart 2018 konden bij [slachtoffer] drie scherprandige huidperforaties (scherprandige steekletsels) met onderliggende steekkanalen en onderhuidse en begeleidende bloeduitstortingen worden vastgesteld: één steekwond hoog op de rechterborst, bij de overgang naar de hals (hierna: steekletsel A), één laag aan de rechterborst, bij de overgang naar de buik (hierna: steekletsel B) en één aan de linker elleboogplooi (steekletsel C).
Wijze waarop de steekletsels zijn ontstaan
Het hof is met de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat deze letsels zijn toegebracht met gebruikmaking van (één van) de bij en in genoemde woning aangetroffen messen. Dat laat onverlet dat de forensisch patholoog heeft geconcludeerd dat de steekletsels A, B en C bij leven zijn ontstaan door inwerkend, uitwendig, mechanisch, scherprandig, snijdend en perforerend geweld, zoals bij het gebruik van één of meer messen.
Nu deze conclusie wordt gedragen door de uitgebreide bevindingen van de patholoog, neemt het hof die over. De letsels zijn dus ontstaan door de inwerking (steken en/of snijden) van enig scherp en/of puntig voorwerp, waarbij niet uit te sluiten is dat dit is gebeurd met behulp van een mes dat bij het opsporingsonderzoek niet is aangetroffen. Dat, zoals de verdediging heeft benoemd, de schouwarts, die het lichaam van [slachtoffer] uitwendig heeft geschouwd, heeft opgemerkt dat letsel A mogelijk ook het gevolg kan zijn van een breuk in het sleutelbeen, maakt dat niet anders, reeds omdat later bij radiologisch onderzoek is vastgesteld dat de sleutelbeenderen geen fracturen vertoonden (p. B234). Voor de gedachte dat letsel A is veroorzaakt door iets anders dan de inwerking van een scherp en/of puntig voorwerp ontbreekt ieder concreet aanknopingspunt.
Doodsoorzaak
De forensisch patholoog heeft gerapporteerd dat het steekkanaal van steekletsel A liep van links naar rechts, schuin voet- en rugwaarts. De gemeten diepte van het steekkanaal was minimaal circa 12,5 centimeter. Het steken/snijden heeft geleid tot een perforatie van de rechter sleutelbeenader, hetgeen doorgaans tot ernstig bloedverlies leidt. Het intreden van de dood van [slachtoffer] kan volgens haar worden verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van het door dit steekletsel veroorzaakte bloedverlies, in combinatie met circulatiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen. Steekletsel B verliep volgens de patholoog van rechts naar links, rug- en iets hoofdwaarts schuin. De gemeten diepte van het steekkanaal was minimaal circa 8,5 centimeter. Het steekkanaal liep via het buikvlies, het middenrif en het hartzakje naar het hart, alwaar de hartspier bij de hartpunt ongeveer 1 centimeter diep is geperforeerd. Het steekkanaal liep niet door tot in de hartholte. In dit steekkanaal, dat door de buik verliep, was geen bloed opgehoopt. Noch de lever noch andere organen in de buik zijn door het steken geperforeerd. Aan het intreden van de dood van [slachtoffer] heeft steekletsel C, waarbij geen vitale structuren zijn geraakt, geen bijdrage geleverd.
De radioloog [betrokkene 2] heeft op 9 mei 2018 gerapporteerd, en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard, dat het overlijden van [slachtoffer] zeer waarschijnlijk het gevolg is geweest van een luchtembolie, die naar zijn oordeel is ontstaan door steekletsel B, waarbij de onderste holle ader is geperforeerd. Het hof gaat aan die mogelijkheid echter voorbij omdat de forensisch patholoog, op diezelfde terechtzitting, gezaghebbend heeft weersproken dat de onderste holle ader, die zij bij de inwendige schouw ‘zelf in haar vingers heeft gehad’ en ‘puntgaaf’ was, geperforeerd was. Daarbij heeft de forensisch patholoog toegelicht dat zij bij de sectie ook andere bevindingen heeft gedaan die bij ernstig (fataal) bloedverlies passen, zoals een bloedarme milt.
Het hof neemt de conclusies van de forensisch patholoog dan ook over en stelt op grond daarvan vast dat de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door algehele weefselschade ten gevolge van het door steekletsel A veroorzaakte bloedverlies, in combinatie met circulatiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen.
Lezing van de verdachte
De verdachte heeft op 6 juni 2018 tegenover de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep samengevat het volgende verklaard. De verdachte verdiende geld als prostituee. In de nacht van 16 op 17 december 2017 is zij bij [slachtoffer] , een vaste klant van haar, langsgegaan en heeft orale seks met hem gehad. Zij is vervolgens tussen de benen van [slachtoffer] in slaap gevallen, al dan niet na een black-out. Toen de verdachte wakker werd, zei [slachtoffer] dat zij moest vertrekken. Zij wees [slachtoffer] erop dat hij nog niet vóór haar diensten had betaald, waarop [slachtoffer] duidelijk maakte dat hij dat ook niet van plan was. [slachtoffer] liep naar een bureau, pakte daaruit een groot mes en kwam met dat mes in de hand op de verdachte aflopen. [slachtoffer] maakte daarbij stekende bewegingen in de richting van de verdachte. De verdachte deinsde daarop achterwaarts richting de buitendeur. Op een gegeven moment wist zij het mes met beide handen aan de bovenzijde van het lemmet vast te pakken en hield zij het mes aldus tegen. Hoewel zij daarbij voor haar gevoel niet veel kracht hoefde te zetten, heeft zij hierbij wel snijwonden aan haar rechter- en linkerhand opgelopen. Uiteindelijk is de zijkant van het mes tegen de buik van [slachtoffer] aangekomen en bemerkte de verdachte dat het mes ‘ergens in ging, als in een gekookt ei’. Het mes is in de buik van [slachtoffer] terechtgekomen, doordat [slachtoffer] zich in de richting van het mes heeft bewogen en niet doordat de verdachte het mes in diens buik heeft geduwd. [slachtoffer] zei vervolgens dat de verdachte hem gestoken had. De verdachte zag bij [slachtoffer] echter geen wond of bloed en is de woning weer ingelopen om haar spullen te pakken. Zij is toen ook haar handen gaan wassen, omdat er, zo bemerkte zij, wél bloeddruppels van haar eigen handen af kwamen. Zij heeft met een doekje het bloed opgeveegd dat vanaf haar hand op de keukenvloer en de woonkamertafel terecht was gekomen en zij is teruggelopen naar de keuken om andermaal haar handen te wassen. Daarna liep zij naar het bureau in de woonkamer, trof daar in een lade een briefje van vijf euro aan en riep tegen [slachtoffer] ‘dat hij dus wél geld had’. Vervolgens hoorde verdachte ‘kling’ en vroeg zij [slachtoffer] , die inmiddels op zijn knieën zat, waarom hij het mes had weggegooid. [slachtoffer] gaf daar geen antwoord op. De verdachte is naar [slachtoffer] toegegaan, heeft geprobeerd hem op zijn rug te draaien en heeft hem uiteindelijk aan zijn arm verder de keuken in getrokken. Daar zag de verdachte dat [slachtoffer] een wond op zijn buik had die een beetje bloedde; rondom [slachtoffer] zag zij geen bloed. Omdat [slachtoffer] niet meer ademde, heeft zij bij hem mond-op-mondbeademing toegepast, hetgeen het gewenste effect had. Vervolgens heeft zij 112 gebeld. Daarna is zij verder gegaan met het geven van mond-op-mondbeademing, omdat zij bang was dat de ademhaling van [slachtoffer] weer zou stoppen. Even later kwam de politie. Zij heeft niets gezien dat het steekletsel, dat (…) hoog op de borst (bij de hals) van [slachtoffer] is geconstateerd, kan verklaren.
Beoordeling van de lezing van de verdachte
Anders dan de verdediging - die van voormelde lezing uitgaat - is het hof niet van oordeel dat de
verdachte ‘vanaf het eerste moment consistent heeft verklaard’, integendeel. Nog afgezien van
inconsistenties op detailniveau, heeft de verdachte op diverse momenten verklaringen afgelegd c.q.
uitlatingen gedaan die op essentiële onderdelen met voormelde lezing en met elkaar in tegenspraak
zijn:
Tegen de 112-centralist heeft de verdachte gezegd dat ‘de man’ zichzelf in zijn buik had gestoken en dat zij veel bloed zag (p. B100). Tegen de politieambtenaren die gehoor gaven aan de melding en ter plaatse zijn gegaan, heeft zij gezegd dat ‘de man dood wilde’ en zichzelf had neergestoken, en dat zij nog had geprobeerd hem tegen te houden (p. B001).
Na haar aanhouding heeft de verdachte tijdens haar vervoer naar het politiebureau gezegd dat zij ‘hem’ niet had gestoken, maar dat zij ‘het mes uit zijn handen had getrokken’ (p. B057).
Tegen de forensisch arts, die de verdachte op 17 december 2017 heeft onderzocht, heeft zij gezegd dat zij de door die arts bij haar geconstateerde snijwonden heeft opgelopen ‘tijdens de reanimatie van de vermoorde man’ (p. B124).
Bij het politieverhoor op 18 december 2017 heeft zij verklaard dat zij het mes van [slachtoffer] met haar rechterhand over de scherpe kant heen heeft vastgepakt en dat zij daardoor wonden op de rechter wijsvinger en aan de binnenzijde van haar rechterhand heeft opgelopen. Daarna heeft zij, zo vervolgde zij; het mes ook met haar linkerhand over haar rechterhand heen vastgepakt, waardoor zij een wond heeft opgelopen aan haar linker wijsvinger (p. C056). Zij voegde daar met zoveel woorden aan toe dat zij het mes heeft vastgehouden bij het snijgedeelte, maar niet heel hard [het hof begrijpt: krachtig], omdat zij niet wilde dat zij verwondingen aan haar vingers zou oplopen (p. C059). De verdachte heeft bij dat verhoor de wijze waarop zij het mes heeft vastgehouden voorgedaan, waarbij een pen het mes voorstelde en haar raadsvrouw de rol van slachtoffer speelde. Op de daarvan beschikbare video-opname is te zien dat de verdachte uitbeeldt dat haar rechterhand om het lemmet van het mes gesloten is geweest, met de duim omhoog en haar vingers aan de onderzijde (van het lemmet). Haar linkerhand had zij om haar rechterhand heen gesloten, ook met haar duim aan de bovenzijde en haar vingers aan de onderzijde (p. C068). Vervolgens duwde zij het mes naar voren, in de richting van de buik van het slachtoffer, waarna de punt van het mes in diens buik kwam, zo heeft het hof op de terechtzitting in hoger beroep bij het bekijken van deze opname vastgesteld.
Tijdens datzelfde politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat 'heel veel kracht en twee handen nodig waren om het mes dat [slachtoffer] vasthad weg te duwen en dat zij zichzelf daarbij met haar voeten afzetten op de [het hof begrijpt: straatstenen (p. C058).
Gelet op dit alles acht het hof de lezing van de verdachte niet aannemelijk geworden, reden waarom
het hof deze terzijde schuift. Daarvoor is temeer aanleiding nu die lezing geen begin van een verklaring biedt voor de bij het slachtoffer geconstateerde steekletsels A en C, terwijl de verdachte naar eigen zeggen tijdens het wassen van haar handen [slachtoffer] , die zich – nog altijd in staande positie – op vijf tot zes stappen afstand van haar bevond, constant in het zicht heeft gehad en zij hem bij het pakken van het briefje van vijf euro uit de bureaulade slechts twee à drie seconden uit het oog is verloren (p. C084, C098 en C100).
Als vaststaand kan wél worden aangenomen dat [slachtoffer] nog niet gewond was toen de verdachte bij zijn woning aankwam en met hem vervolgens nog even ‘gezellig op de bank heeft gezeten en gepraat’. [slachtoffer] moet de drie steekverwondingen dus tijdens het bezoek van de verdachte hebben opgelopen. Verder heeft de verdachte verklaard dat (a) zij — toen zij wakker was — niemand anders in de woning heeft gezien, (b) [slachtoffer] en zij de hele avond [het hof begrijpt: nacht] met zijn tweeën zijn geweest, (c) er gedurende die nacht niemand heeft gebeld en (d) zij, toen zij buiten stond en 112 belde, geen andere mensen heeft gezien en dat het toen rustig op straat was.
In de resultaten van het opsporingsonderzoek, in het bijzonder het uitgebreide forensische onderzoek, kan geen enkel solide aanknopingspunt worden gevonden voor de gedachte dat een (onbekende) derde voor het toebrengen van de steekletsels verantwoordelijk is. Evenmin is er een reden om te veronderstellen dat [slachtoffer] zelf een einde aan zijn leven heeft willen maken. Zo heeft thuiszorgmedewerker [betrokkene 3] , die [slachtoffer] zo’n vier jaren kende en hem ongeveer drie keer per week bezocht (en voor het laatst op 16 december 2017), verklaard dat [slachtoffer] een positief ingesteld mens was die van iedere dag iets leuks probeerde te maken en dat hij bij hem nooit iets heeft gemerkt van depressiviteit. Het is ook overigens bijzonder onaannemelijk dat [slachtoffer] , juist nadat hij bij de door hem zelf geïnitieerde schermutseling met de verdachte gewond was geraakt, op het idee zou zijn gekomen om zelfmoord te plegen.
Bij die stand van zaken is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer] niet alleen steekletsel B, maar ook steekletsels A en C heeft toegebracht. Dat het hof niet kan vaststellen op welke wijze dat exact is gedaan en wat daarvoor de aanleiding is geweest, maakt dat niet anders.
Voorbedachte raad en opzet
Net als de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld; van dat onderdeel van de tenlastelegging zal zijn worden vrijgesproken. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte het slachtoffer moedwillig (met vol opzet) van het leven heeft willen beroven. Door het met een scherp en/of puntig voorwerp steken en/of snijden in de borst van het slachtoffer, met een zodanige kracht dat daarvan een steekkanaal van 12,5 centimeter diep het gevolg is, heeft de verdachte evenwel de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer daardoor fataal letsel opliep. In de borst bevinden zich immers diverse vitale organen en structuren. Dergelijk steken en/of snijden is voorts naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het om het leven brengen van een ander, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties in dat verband is niet gebleken.
Slotsom
Gelet op het voorgaande kan het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen op de wijzen als na te melden. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt op alle onderdelen verworpen.”