ECLI:NL:PHR:2022:601

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
21/01385
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 338 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor doodslag ondanks alternatieve lezing verdachte

De zaak betreft een doodslagveroordeling door het gerechtshof Amsterdam waarbij de verdachte werd veroordeeld tot acht jaar gevangenisstraf. De verdachte stelde in cassatie dat het hof onjuist het criterium hanteerde voor het verwerpen van haar alternatieve scenario dat het slachtoffer zichzelf had gestoken.

De feiten betreffen een incident in december 2017 waarbij het slachtoffer met meerdere steekwonden werd aangetroffen, waarvan één fataal. De verdachte, een prostituee, verklaarde dat zij het mes alleen had vastgehouden en dat het slachtoffer zichzelf had gestoken, maar het hof achtte haar verklaring niet aannemelijk. Het hof concludeerde dat de verdachte verantwoordelijk was voor alle steekwonden, ook de fatale.

In cassatie werd betoogd dat het hof een te hoge maatstaf hanteerde door te eisen dat het alternatieve scenario ‘niet aannemelijk’ moest zijn, terwijl volgens de verdediging slechts ‘zeer onwaarschijnlijk’ vereist is. De Hoge Raad bevestigde echter dat het hof het juiste toetsingskader hanteerde conform eerdere jurisprudentie en dat de bewezenverklaring voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is.

De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde daarmee de veroordeling van de verdachte voor doodslag. De zaak benadrukt de toepassing van het criterium voor het beoordelen van alternatieve scenario’s binnen het bewijsrecht en de onschuldpresumptie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor doodslag tot acht jaar gevangenisstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01385
Zitting21 juni 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De verdachte is bij arrest van 16 maart 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar, met aftrek van het voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof onder andere beslissingen genomen over vorderingen van benadeelde partijen en over het beslag.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.C. Reisinger, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

In de ochtend van 17 december 2017 belt een vrouw naar het alarmnummer 112. Zij maakt melding van een man die zichzelf in de buik heeft gestoken. Wanneer de hulpdiensten iets voor 06:30 uur arriveren, treffen zij in de keuken van een woning een bewusteloze man aan. Onder en rond de man ligt bloed. Naast de man zit de vrouw die het alarmnummer heeft gebeld. Zij zit op haar knieën en ook zij zit onder het bloed. De man is overgebracht naar het ziekenhuis waar hij rond 07:45 uur is overleden. Op het lichaam van het slachtoffer is sectie verricht. Bij hem zijn drie steekwonden vastgesteld: een steekwond hoog op de rechterborst, bij de overgang naar de hals (steekwond A), een steekwond laag aan de rechterborst bij de overgang naar de buik (steekwond B) en een steekwond aan de linker elleboogplooi (steekwond C). De forensisch patholoog heeft vastgesteld dat de verwondingen bij leven zijn toegebracht door steken en/of snijden met een scherp en/of puntig voorwerp. Niet kan worden vastgesteld dat de letsels zijn toegebracht met één van de bij en in de woning aangetroffen messen. Steekwond A heeft volgens de forensisch patholoog tot ernstig bloedverlies geleid en is de oorzaak van de dood. Het hof heeft deze conclusie van de forensisch patholoog overgenomen.
De vrouw die het alarmnummer heeft gebeld, wordt als verdachte aangemerkt. Zij heeft verklaard dat zij (prostituee) in de woning van het slachtoffer (een klant van haar) de nacht heeft doorgebracht en dat er na het ontwaken onenigheid over geld is ontstaan. Het slachtoffer is op enig moment met een groot mes op haar afgelopen en heeft met dat mes stekende bewegingen in haar richting gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat zij erin is geslaagd het mes met beide handen aan het lemmet vast te pakken en tegen te houden. Volgens de verdachte is het mes uiteindelijk in de buik van het slachtoffer terecht gekomen (steekwond B), doordat het slachtoffer zich in de richting van het mes heeft bewogen. De verdachte heeft niets gezien dat steekwond C en (de fatale) steekwond A kan verklaren. Zij heeft niemand anders in de woning gezien en toen zij op straat 112 belde, heeft zij ook geen andere mensen gezien.
Het hof acht de lezing van de verdachte ‘niet aannemelijk geworden’ en heeft deze terzijde geschoven en geoordeeld dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de verdachte degene is geweest die het slachtoffer niet alleen steekletsel B, maar ook de steekletsels A en C heeft toegebracht. In eerste aanleg achtte de rechtbank niet bewezen dat de verdachte de dodelijke steekwond A had toegebracht. De rechtbank achtte enkel bewezen dat de verdachte steekwond B had toegebracht, hetgeen resulteerde in een veroordeling voor zware mishandeling. Het hof komt tot een veroordeling voor doodslag.

3.Het middel, de bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen

3.1.
Het middel is gericht tegen de (motivering van de) bewezenverklaring en bestaat uit twee deelklachten. Onder deelklacht a wordt geklaagd dat de (motivering van de) bewezenverklaring blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder wat betreft het gebruikte criterium ter verwerping van de verklaring van de verdachte wat betreft (het ontbreken van) haar betrokkenheid bij het toebrengen van het dodelijk letsel. Onder deelklacht b wordt geklaagd dat de bewezenverklaring niet begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is, in het bijzonder in het licht van de verklaring van de verdachte wat betreft (het ontbreken van) haar betrokkenheid bij het toebrengen van het dodelijk letsel.
3.2.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“zij op of omstreeks 17 december 2017 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd door met dat opzet [slachtoffer] met een scherp en/of puntig voorwerp in de borst te steken en/of te snijden.”
3.3.
De bewezenverklaring berust op de in de aanvulling verkort arrest opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik verwijs.
3.4.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging op 16 februari 2021 het woord gevoerd grotendeels overeenkomstig de overgelegde en in het dossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, met weglating van voetnoten en met toevoeging van – cursief weergegeven – een aantal mondeling gegeven aanvullingen, onder meer in:

II - Verklaringen [verdachte] betrouwbaar
3. Tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg is door zowel de officier van justitie alsook de verdediging veel tijd en aandacht besteed aan de betrouwbaarheid van de door [verdachte] afgelegde verklaring. Net als de officier van justitie bepleit de advocaat-generaal dat [verdachte] onbetrouwbare en op onderdelen zelfs leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. Het zal u niet verbazen dat de verdediging dit standpunt niet deelt.
4. In eerste aanleg heeft de verdediging een uitgebreide PowerPoint-presentatie gegeven waarmee is aangetoond dat de verklaringen van [verdachte] niet enkel op essentiële onderdelen maar ook op gedetailleerd niveau worden ondersteund door de onderzoeksbevindingen. De verdediging wenst in hoger beroep (zoals u gisteren al aangaf) geen herhaling van zetten te geven temeer nu de PowerPoint-presentatie en de bijbehorende tekst onderdeel uitmaakt van dit dossier. De verdediging zal zich dan ook voornamelijk richten op de door de officier van justitie in haar appelschriftuur (en door de advocaat-generaal herhaalde) aangehaalde elementen op basis waarvan zij de verklaringen van [verdachte] onbetrouwbaar (dus niet meer leugenachtig?) acht.
Verklaringen van [verdachte] zijn consistent, accuraat en betrouwbaar
5. U dient net als de rechtbank een oordeel te vormen over de betrouwbaarheid van de door [verdachte] afgelegde verklaringen. Een sluitend juridisch kader om dit te doen ontbreekt. Om tot een oordeel te komen wordt gekeken naar of de (in dit geval) verdachte in de kern/in grote lijnen of op essentiële onderdelen consistent en accuraat heeft verklaard en of (grote delen) van de verklaringen wordt bevestigd door en verankering vinden in de onderzoeksbevindingen.
6. Voorts is van belang op te merken dat uit de geldende jurisprudentie blijk dat de enkele omstandigheid dat in de verklaringen van een getuige en/of verdachte op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen, dit deze verklaring op zichzelf nog niet onbetrouwbaar maakt. Dit kan immers zijn veroorzaakt door de feilbaarheid van het menselijk geheugen, al dan niet teweeggebracht onder invloed van emoties of bijvoorbeeld het verstrijken van de tijd. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop die verklaringen zijn afgelegd.
De situatie was zeer hectisch en mijn cliënte was onder invloed van veel emoties. Het ingewikkelde is dat u haar maar een paar uur ziet. Zij is bloedzenuwachtig. Ik heb haar de afgelopen jaren vele uren gezien. Ik vraag u rekening te houden niet het feit dat u haar maar een zeer kort moment ziet.De rechtbank oordeelt dat [verdachte] , als het gaat om de kern van haar verklaring, vanaf het eerste moment consistent heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaringen van [verdachte] dan ook voldoende betrouwbaar en gaat uit van de juistheid daarvan.
7. De verdediging verzoekt u tot ditzelfde oordeel te komen. Dit verzoek zal in het navolgende worden onderbouwd.
Ontstaan verklaringen [verdachte]
8. Allereerst is van belang hoe de verklaringen van [verdachte] tot stand zijn gekomen. Volgens het openbaar ministerie zou [verdachte] haar verklaringen immers keer op keer hebben aangepast aan de onderzoeksbevindingen. [verdachte] zou, aldus de officier van justitie in de appelschriftuur, op 18 en 19 december 2017 en 6 juni 2018 geen wezenlijk andere verklaringen hebben afgelegd. Echter zou zij toch op essentiële onderdelen wisselend hebben verklaard.
9. De eerste spontane ‘verklaring’ die [verdachte] heeft afgelegd is op het moment dat de politie haar bij het slachtoffer wegtrekt. Later ‘verklaart’ zij ook nog tijdens het transport naar het politiebureau.
10. Het openbaar ministerie hecht veel waarde aan deze verklaring aangezien het niet overeen zou komen met de latere (bij de politie) afgelegde verklaringen. De verdediging is om te beginnen van mening dat de spontane verklaringen van [verdachte] niet wezenlijk verschillen van de latere verklaringen. Hierbij is van belang om op te merken dat hetgeen in de processen-verbaal is opgemaakt altijd een zakelijke weergave is van wat er is gezegd. [verdachte] was in totale paniek. Dit blijkt ook wel uit de geluidsopname van de 112-melding. Toen ik [verdachte] voor het eerst op het politiebureau ontmoette was ze nog altijd paniekerig en sprak ze 100 uit over wat er allemaal gebeurd is.
Ik trof haar aan in een blauwe overall, met haar handen onder het bloed en totaal verward. Ik kon met haar spreken, maar het was een waterval aan woorden over van wat er was gebeurd. Er zat een vrouw die alles wilde vertellen in het korte moment dat je met haar hebt.Ze sprak ook nog eens zonder gebit wat het zeer lastig verstaanbaar maakte. Ze ratelde maar door. De verdediging wil daarmee zeggen dat een eerste spontane ‘verklaring’ op de plaats-delict natuurlijk van belang is maar dat daar ook kritisch naar moet worden gekeken. Het is een beperkte weergave van wat er allemaal zou zijn gezegd. Het is zeer goed mogelijk dat [verdachte] veel meer woorden of andere woorden heeft gezegd, maar de agenten moeten vanzelfsprekend filteren. Uit de door de politie opgemaakte processen-verbaal blijkt ook dat [verdachte] op het moment van aanhouden en overbrengen verklaart en op hen een verwarde indruk maakt.
11. Dat [verdachte] tijdens haar eerste verhoor (zoals de officier van justitie in haar appelschriftuur stelt) ‘terugkomt’ op haar spontane verklaringen en ineens verklaart dat ze wel betrokken is bij het letsel van B, is dan ook volledig onjuist. [verdachte] heeft in haar verklaringen nooit ontkent ergens bij ‘betrokken’ te zijn geweest. Ze heeft bovendien haar verwonde handen laten zien. Verklaringen afgelegd tijdens de politieverhoren zijn vanzelfsprekend van hele andere orde dan wanneer er tijdens de aanhouding iets wordt gezegd. Dat [verdachte] tijdens het eerste zaaksinhoudelijke verhoor pas uitgebreid spreekt over het incident met het mes is natuurlijk helemaal niet vreemd.
12. [verdachte] verklaart vanaf het begin af aan dat zij niet heeft gestoken en dat ze ‘het’ niet heeft gedaan. Ze zegt dat hij zichzelf heeft gestoken.
Daarmee bedoelt de verdachte dat [slachtoffer] continu het mes in zijn handen heeft gehad. Hij heeft zichzelf dus indirect in zijn buik gestoken.Als u haar nu vraagt wat ze daarmee bedoelt (en dat heeft uw Hof gister ook gedaan) zegt ze dat het slachtoffer het mes vasthad en zij enkel het mes van zich af heeft geduwd. Ze heeft het lemmet vastgepakt, aldus [verdachte] . Op 18 december 2017 wordt [verdachte] door de politie ook gevraagd wat ze bedoelde met de woorden die ze tijdens de aanhouding zou hebben gesproken. [verdachte] verklaart hierop dat ze niet letterlijk bedoelde dat hij dood wilde en dat ze met het tegenhouden bedoelde dat ze hem geprobeerd heeft tegen te houden om haar te steken.
13. Op 18 december 2017 legt [verdachte] haar eerste inhoudelijke verklaring tijdens het politieverhoor af. [verdachte] en ik wisten op dat moment al dat het slachtoffer was overleden. Verder beschikte ik over geen enkele andere onderzoeksinformatie. De enige informatie die ik had was hetgeen [verdachte] mij allemaal op het bureau heeft verteld. Zij had een hele duidelijke wens om alles te verklaren wat ze zich maar kon herinneren. Al had ik als advocate een ander advies willen geven, dan was dat een kansloze missie geweest. Ik heb tegen [verdachte] niet meer gezegd dan: vertel de politie wat er gebeurd is.
Dat het openbaar ministerie zegt dat mijn cliënte haar verklaringen aanpast op onderzoeksbevindingen vind ik onbegrijpelijk.
14. [verdachte] heeft zeer gedetailleerd en uitgebreid verklaard over het verloop van de nacht. Het kletsen op de bank, de posities daarbij, het pijpen en de bijbehorende posities, het wegvallen van [verdachte] , het bijkomen en waar ieder zich toen bevond, het ontstaan van de discussie over het geld, slachtoffer die het mes pakt bij de lade, hoe hij het mes vasthield, hoe hij [verdachte] bedreigde, hoe ze achteruitlopend door de keuken naar buiten werd geleid, het vastpakken van het mes, de worsteling met het mes, het mes dat de buik van slachtoffer, de verwondingen aan de handen van [verdachte] , het wassen van de handen, het pakken van de spullen, het vinden van de 5 euro in de lade, het roepen naar het slachtoffer, het ‘kling’ geluid, het draaien van het slachtoffer, wat ze toen wel en niet heeft gezien, het zoeken van haar mobiel, het bellen van 112 en het geven van mond op mond beademing. Al deze fases heeft [verdachte] uitgebreid beschreven bij de politie op 18 en 19 december 2017. Zonder
enige vormvan dossierkennis.
15. Het is ook niet zo dat [verdachte] tijdens de verhoren haar verklaring heeft aangepast aan hetgeen de politie ons meedeelde. Op 18 december 2017 deelde de politie aan ons mede dat het aantal steekwonden aangetroffen bij het slachtoffer niet overeenkomt met de verklaring van [verdachte] . [verdachte] heeft vervolgens op geen enkele wijze haar verklaring aangepast. Zij verklaart dat ze het niet weet, echt niet. Ze heeft niets gezien of meegemaakt van meerdere steekletsels. Ze heeft hem niet gestoken. Echt 100 procent niet, aldus [verdachte] . Ze blijft dus heel duidelijk bij haar verklaring. Dit zegt ze ook letterlijk op pagina C59. Ook met betrekking tot het aan haar handen ontstane letsel. Ze heeft het mes bij het snij/scherpe gedeelte (dus het lemmet) vastgehouden en daardoor moet het letsel aan haar handen zijn ontstaan. ‘Ze gaat hier geen leugen op bedenken.’ Op het vasthouden van het mes kom ik straks nog nader te spreken.
16. Ook op 19 december 2017 stelt de politie haar kritische vragen over hetgeen [verdachte] verklaart. [verdachte] blijft echter bij haar verhaal ‘ik lieg niet’, ‘ik kan er geen leugen van maken’. En als de recherche haar nog een keer confronteert met het letsel bij het sleutelbeen van het slachtoffer: ‘ik heb het niet gezien. Als ik het had gedaan, waarom zou ik dan nog blijven. Dan had ik niet 112 gebeld en gereanimeerd’. Dit is toch geen verdachte die haar verklaringen aanpast of wankelt?
Door de advocaat-generaal is opgemerkt dat vluchten een lastigere optie was geweest. Ik snap niet hoe dat een lastigere optie zou zijn. Mijn cliënte heeft niets te maken met letsel A. Ze zag een verwonding en heeft 112 gebeld om de man te redden.
(…)
66. Zoals (…) tijdens de feitenbehandeling al aan de orde gekomen weet [verdachte] niet hoe letsel A is ontstaan. Als zij onschuldig is (waarvoor zij gehouden moet worden) dan kan ze dat ook niet weten. Haar alternatieve scenario past sluitend op de bewijsmiddelen in deze zaak (zodat dat scenario (…) met geen mogelijkheid als onwaarschijnlijk kan worden uitgesloten), maar verklaart letsel A niet. Voor dit letsel zijn ontelbaar veel scenario’s te bedenken (het kan een ongeluk zijn, het kan zelfmoord zijn, het kan het gevolg zijn van medisch handelen (drukken op het steekkanaal waardoor het gescheurd is), het kan een derde zijn, etc. etc. etc.). Het scenario waar het openbaar ministerie vanuit gaat ( [verdachte] heeft dit veroorzaakt met het vleesmes) is gegeven de omstandigheden daarbij zelfs het meest onwaarschijnlijke scenario. Het enkele feit dat dit letsel A in het scenario van [verdachte] niet verklaard wordt, is gelet op het hiervoor geschetste beoordelingskader, onvoldoende om dan te zeggen: dan klopt het hele verhaal niet en kan het niet anders dan dat [verdachte] alle verwondingen heeft veroorzaakt en daarmee verantwoordelijk is voor de dood.”
3.5.
Met betrekking tot het bewijs heeft het hof - voor zover relevant - het volgende overwogen:
“Drie steekletsels
Op het lichaam van [slachtoffer] is op 19 december 2017 een gerechtelijke sectie verricht door forensisch patholoog [betrokkene 1] . Blijkens haar rapport van 1 maart 2018 konden bij [slachtoffer] drie scherprandige huidperforaties (scherprandige steekletsels) met onderliggende steekkanalen en onderhuidse en begeleidende bloeduitstortingen worden vastgesteld: één steekwond hoog op de rechterborst, bij de overgang naar de hals (hierna: steekletsel A), één laag aan de rechterborst, bij de overgang naar de buik (hierna: steekletsel B) en één aan de linker elleboogplooi (steekletsel C).
Wijze waarop de steekletsels zijn ontstaan
Het hof is met de verdediging van oordeel dat op grond van het dossier niet met een voor een bewezenverklaring vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat deze letsels zijn toegebracht met gebruikmaking van (één van) de bij en in genoemde woning aangetroffen messen. Dat laat onverlet dat de forensisch patholoog heeft geconcludeerd dat de steekletsels A, B en C bij leven zijn ontstaan door inwerkend, uitwendig, mechanisch, scherprandig, snijdend en perforerend geweld, zoals bij het gebruik van één of meer messen.
Nu deze conclusie wordt gedragen door de uitgebreide bevindingen van de patholoog, neemt het hof die over. De letsels zijn dus ontstaan door de inwerking (steken en/of snijden) van enig scherp en/of puntig voorwerp, waarbij niet uit te sluiten is dat dit is gebeurd met behulp van een mes dat bij het opsporingsonderzoek niet is aangetroffen. Dat, zoals de verdediging heeft benoemd, de schouwarts, die het lichaam van [slachtoffer] uitwendig heeft geschouwd, heeft opgemerkt dat letsel A mogelijk ook het gevolg kan zijn van een breuk in het sleutelbeen, maakt dat niet anders, reeds omdat later bij radiologisch onderzoek is vastgesteld dat de sleutelbeenderen geen fracturen vertoonden (p. B234). Voor de gedachte dat letsel A is veroorzaakt door iets anders dan de inwerking van een scherp en/of puntig voorwerp ontbreekt ieder concreet aanknopingspunt.
Doodsoorzaak
De forensisch patholoog heeft gerapporteerd dat het steekkanaal van steekletsel A liep van links naar rechts, schuin voet- en rugwaarts. De gemeten diepte van het steekkanaal was minimaal circa 12,5 centimeter. Het steken/snijden heeft geleid tot een perforatie van de rechter sleutelbeenader, hetgeen doorgaans tot ernstig bloedverlies leidt. Het intreden van de dood van [slachtoffer] kan volgens haar worden verklaard door algehele weefselschade ten gevolge van het door dit steekletsel veroorzaakte bloedverlies, in combinatie met circulatiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen. Steekletsel B verliep volgens de patholoog van rechts naar links, rug- en iets hoofdwaarts schuin. De gemeten diepte van het steekkanaal was minimaal circa 8,5 centimeter. Het steekkanaal liep via het buikvlies, het middenrif en het hartzakje naar het hart, alwaar de hartspier bij de hartpunt ongeveer 1 centimeter diep is geperforeerd. Het steekkanaal liep niet door tot in de hartholte. In dit steekkanaal, dat door de buik verliep, was geen bloed opgehoopt. Noch de lever noch andere organen in de buik zijn door het steken geperforeerd. Aan het intreden van de dood van [slachtoffer] heeft steekletsel C, waarbij geen vitale structuren zijn geraakt, geen bijdrage geleverd.
De radioloog [betrokkene 2] heeft op 9 mei 2018 gerapporteerd, en op de terechtzitting in eerste aanleg verklaard, dat het overlijden van [slachtoffer] zeer waarschijnlijk het gevolg is geweest van een luchtembolie, die naar zijn oordeel is ontstaan door steekletsel B, waarbij de onderste holle ader is geperforeerd. Het hof gaat aan die mogelijkheid echter voorbij omdat de forensisch patholoog, op diezelfde terechtzitting, gezaghebbend heeft weersproken dat de onderste holle ader, die zij bij de inwendige schouw ‘zelf in haar vingers heeft gehad’ en ‘puntgaaf’ was, geperforeerd was. Daarbij heeft de forensisch patholoog toegelicht dat zij bij de sectie ook andere bevindingen heeft gedaan die bij ernstig (fataal) bloedverlies passen, zoals een bloedarme milt.
Het hof neemt de conclusies van de forensisch patholoog dan ook over en stelt op grond daarvan vast dat de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door algehele weefselschade ten gevolge van het door steekletsel A veroorzaakte bloedverlies, in combinatie met circulatiestoornissen en daarmee overige orgaanfunctiestoornissen.
Lezing van de verdachte
De verdachte heeft op 6 juni 2018 tegenover de politie en op de terechtzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep samengevat het volgende verklaard. De verdachte verdiende geld als prostituee. In de nacht van 16 op 17 december 2017 is zij bij [slachtoffer] , een vaste klant van haar, langsgegaan en heeft orale seks met hem gehad. Zij is vervolgens tussen de benen van [slachtoffer] in slaap gevallen, al dan niet na een black-out. Toen de verdachte wakker werd, zei [slachtoffer] dat zij moest vertrekken. Zij wees [slachtoffer] erop dat hij nog niet vóór haar diensten had betaald, waarop [slachtoffer] duidelijk maakte dat hij dat ook niet van plan was. [slachtoffer] liep naar een bureau, pakte daaruit een groot mes en kwam met dat mes in de hand op de verdachte aflopen. [slachtoffer] maakte daarbij stekende bewegingen in de richting van de verdachte. De verdachte deinsde daarop achterwaarts richting de buitendeur. Op een gegeven moment wist zij het mes met beide handen aan de bovenzijde van het lemmet vast te pakken en hield zij het mes aldus tegen. Hoewel zij daarbij voor haar gevoel niet veel kracht hoefde te zetten, heeft zij hierbij wel snijwonden aan haar rechter- en linkerhand opgelopen. Uiteindelijk is de zijkant van het mes tegen de buik van [slachtoffer] aangekomen en bemerkte de verdachte dat het mes ‘ergens in ging, als in een gekookt ei’. Het mes is in de buik van [slachtoffer] terechtgekomen, doordat [slachtoffer] zich in de richting van het mes heeft bewogen en niet doordat de verdachte het mes in diens buik heeft geduwd. [slachtoffer] zei vervolgens dat de verdachte hem gestoken had. De verdachte zag bij [slachtoffer] echter geen wond of bloed en is de woning weer ingelopen om haar spullen te pakken. Zij is toen ook haar handen gaan wassen, omdat er, zo bemerkte zij, wél bloeddruppels van haar eigen handen af kwamen. Zij heeft met een doekje het bloed opgeveegd dat vanaf haar hand op de keukenvloer en de woonkamertafel terecht was gekomen en zij is teruggelopen naar de keuken om andermaal haar handen te wassen. Daarna liep zij naar het bureau in de woonkamer, trof daar in een lade een briefje van vijf euro aan en riep tegen [slachtoffer] ‘dat hij dus wél geld had’. Vervolgens hoorde verdachte ‘kling’ en vroeg zij [slachtoffer] , die inmiddels op zijn knieën zat, waarom hij het mes had weggegooid. [slachtoffer] gaf daar geen antwoord op. De verdachte is naar [slachtoffer] toegegaan, heeft geprobeerd hem op zijn rug te draaien en heeft hem uiteindelijk aan zijn arm verder de keuken in getrokken. Daar zag de verdachte dat [slachtoffer] een wond op zijn buik had die een beetje bloedde; rondom [slachtoffer] zag zij geen bloed. Omdat [slachtoffer] niet meer ademde, heeft zij bij hem mond-op-mondbeademing toegepast, hetgeen het gewenste effect had. Vervolgens heeft zij 112 gebeld. Daarna is zij verder gegaan met het geven van mond-op-mondbeademing, omdat zij bang was dat de ademhaling van [slachtoffer] weer zou stoppen. Even later kwam de politie. Zij heeft niets gezien dat het steekletsel, dat (…) hoog op de borst (bij de hals) van [slachtoffer] is geconstateerd, kan verklaren.
Beoordeling van de lezing van de verdachte
Anders dan de verdediging - die van voormelde lezing uitgaat - is het hof niet van oordeel dat de
verdachte ‘vanaf het eerste moment consistent heeft verklaard’, integendeel. Nog afgezien van
inconsistenties op detailniveau, heeft de verdachte op diverse momenten verklaringen afgelegd c.q.
uitlatingen gedaan die op essentiële onderdelen met voormelde lezing en met elkaar in tegenspraak
zijn:
Tegen de 112-centralist heeft de verdachte gezegd dat ‘de man’ zichzelf in zijn buik had gestoken en dat zij veel bloed zag (p. B100). Tegen de politieambtenaren die gehoor gaven aan de melding en ter plaatse zijn gegaan, heeft zij gezegd dat ‘de man dood wilde’ en zichzelf had neergestoken, en dat zij nog had geprobeerd hem tegen te houden (p. B001).
Na haar aanhouding heeft de verdachte tijdens haar vervoer naar het politiebureau gezegd dat zij ‘hem’ niet had gestoken, maar dat zij ‘het mes uit zijn handen had getrokken’ (p. B057).
Tegen de forensisch arts, die de verdachte op 17 december 2017 heeft onderzocht, heeft zij gezegd dat zij de door die arts bij haar geconstateerde snijwonden heeft opgelopen ‘tijdens de reanimatie van de vermoorde man’ (p. B124).
Bij het politieverhoor op 18 december 2017 heeft zij verklaard dat zij het mes van [slachtoffer] met haar rechterhand over de scherpe kant heen heeft vastgepakt en dat zij daardoor wonden op de rechter wijsvinger en aan de binnenzijde van haar rechterhand heeft opgelopen. Daarna heeft zij, zo vervolgde zij; het mes ook met haar linkerhand over haar rechterhand heen vastgepakt, waardoor zij een wond heeft opgelopen aan haar linker wijsvinger (p. C056). Zij voegde daar met zoveel woorden aan toe dat zij het mes heeft vastgehouden bij het snijgedeelte, maar niet heel hard [het hof begrijpt: krachtig], omdat zij niet wilde dat zij verwondingen aan haar vingers zou oplopen (p. C059). De verdachte heeft bij dat verhoor de wijze waarop zij het mes heeft vastgehouden voorgedaan, waarbij een pen het mes voorstelde en haar raadsvrouw de rol van slachtoffer speelde. Op de daarvan beschikbare video-opname is te zien dat de verdachte uitbeeldt dat haar rechterhand om het lemmet van het mes gesloten is geweest, met de duim omhoog en haar vingers aan de onderzijde (van het lemmet). Haar linkerhand had zij om haar rechterhand heen gesloten, ook met haar duim aan de bovenzijde en haar vingers aan de onderzijde (p. C068). Vervolgens duwde zij het mes naar voren, in de richting van de buik van het slachtoffer, waarna de punt van het mes in diens buik kwam, zo heeft het hof op de terechtzitting in hoger beroep bij het bekijken van deze opname vastgesteld.
Tijdens datzelfde politieverhoor heeft de verdachte verklaard dat 'heel veel kracht en twee handen nodig waren om het mes dat [slachtoffer] vasthad weg te duwen en dat zij zichzelf daarbij met haar voeten afzetten op de [het hof begrijpt: straatstenen (p. C058).
Gelet op dit alles acht het hof de lezing van de verdachte niet aannemelijk geworden, reden waarom
het hof deze terzijde schuift. Daarvoor is temeer aanleiding nu die lezing geen begin van een verklaring biedt voor de bij het slachtoffer geconstateerde steekletsels A en C, terwijl de verdachte naar eigen zeggen tijdens het wassen van haar handen [slachtoffer] , die zich – nog altijd in staande positie – op vijf tot zes stappen afstand van haar bevond, constant in het zicht heeft gehad en zij hem bij het pakken van het briefje van vijf euro uit de bureaulade slechts twee à drie seconden uit het oog is verloren (p. C084, C098 en C100).
Als vaststaand kan wél worden aangenomen dat [slachtoffer] nog niet gewond was toen de verdachte bij zijn woning aankwam en met hem vervolgens nog even ‘gezellig op de bank heeft gezeten en gepraat’. [slachtoffer] moet de drie steekverwondingen dus tijdens het bezoek van de verdachte hebben opgelopen. Verder heeft de verdachte verklaard dat (a) zij — toen zij wakker was — niemand anders in de woning heeft gezien, (b) [slachtoffer] en zij de hele avond [het hof begrijpt: nacht] met zijn tweeën zijn geweest, (c) er gedurende die nacht niemand heeft gebeld en (d) zij, toen zij buiten stond en 112 belde, geen andere mensen heeft gezien en dat het toen rustig op straat was.
In de resultaten van het opsporingsonderzoek, in het bijzonder het uitgebreide forensische onderzoek, kan geen enkel solide aanknopingspunt worden gevonden voor de gedachte dat een (onbekende) derde voor het toebrengen van de steekletsels verantwoordelijk is. Evenmin is er een reden om te veronderstellen dat [slachtoffer] zelf een einde aan zijn leven heeft willen maken. Zo heeft thuiszorgmedewerker [betrokkene 3] , die [slachtoffer] zo’n vier jaren kende en hem ongeveer drie keer per week bezocht (en voor het laatst op 16 december 2017), verklaard dat [slachtoffer] een positief ingesteld mens was die van iedere dag iets leuks probeerde te maken en dat hij bij hem nooit iets heeft gemerkt van depressiviteit. Het is ook overigens bijzonder onaannemelijk dat [slachtoffer] , juist nadat hij bij de door hem zelf geïnitieerde schermutseling met de verdachte gewond was geraakt, op het idee zou zijn gekomen om zelfmoord te plegen.
Bij die stand van zaken is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat er geen andere conclusie mogelijk is dan dat de verdachte degene is geweest die [slachtoffer] niet alleen steekletsel B, maar ook steekletsels A en C heeft toegebracht. Dat het hof niet kan vaststellen op welke wijze dat exact is gedaan en wat daarvoor de aanleiding is geweest, maakt dat niet anders.
Voorbedachte raad en opzet
Net als de advocaat-generaal acht het hof niet bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld; van dat onderdeel van de tenlastelegging zal zijn worden vrijgesproken. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte het slachtoffer moedwillig (met vol opzet) van het leven heeft willen beroven. Door het met een scherp en/of puntig voorwerp steken en/of snijden in de borst van het slachtoffer, met een zodanige kracht dat daarvan een steekkanaal van 12,5 centimeter diep het gevolg is, heeft de verdachte evenwel de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat het slachtoffer daardoor fataal letsel opliep. In de borst bevinden zich immers diverse vitale organen en structuren. Dergelijk steken en/of snijden is voorts naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het om het leven brengen van een ander, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Van contra-indicaties in dat verband is niet gebleken.
Slotsom
Gelet op het voorgaande kan het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend worden bewezen op de wijzen als na te melden. Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt op alle onderdelen verworpen.”

4.Bespreking van het middel

4.1.
Als gezegd bestaat het middel uit twee deelklachten. Bij beide deelklachten is het startpunt dat de verdachte zegt geen betrokkenheid te hebben bij het toegebrachte fatale letsel (steekwond A).
De eerste deelklacht
4.2.
De eerste deelklacht is gericht tegen de wijze waarop het hof de alternatieve lezing van de verdachte heeft verworpen. Het hof heeft dat gedaan door die lezing te toetsen aan ‘het aannemelijkheidscriterium’. Toepassing van dit criterium zou volgens de steller van het middel getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. De onschuldpresumptie en de bijbehorende bewijsdimensie zouden nopen tot “een lagere maatstaf dan de formulering van het ‘niet aannemelijk worden’”. Het zou er niet om moeten gaan of de alternatieve lezing ‘niet aannemelijk is geworden’, maar of deze ‘zeer onwaarschijnlijk is geworden’. Alleen zeer onwaarschijnlijk bevonden alternatieve scenario’s zou de rechter terzijde mogen schuiven.
4.2.1.
Voordat ik op het middel in ga, sta ik eerst kort stil bij de vraag of in de onderhavige zaak eigenlijk wel sprake is van een verklaring van de verdachte waarin een alternatieve lezing voor de dood van het slachtoffer ligt besloten. Gaat het hier niet veeleer om een verklaring die niet meer behelst dan een blote ontkenning van het toebrengen van de dodelijke steekverwonding A? De verdachte zegt niet te weten hoe het slachtoffer aan die steekverwonding is gekomen, maar weet wel dat zij het niet heeft gedaan. Al hetgeen de verdachte hier vervolgens aan toevoegt, heeft een hoog gisgehalte. Zo verklaart zij op de terechtzitting in eerste aanleg van 15 maart 2019: “
Misschien(cursivering AG) dat Ton zichzelf heeft gestoken, maar ik heb niks gezien wat de hoge wond kan verklaren.” In hoger beroep verklaart zij op de terechtzitting van 15 februari 2021: “Het klopt dat ik op 19 december 2017
(AG: bij het politieverhoor)heb verklaard dat hij het
misschien(cursivering AG) zelf heeft gedaan, maar dat heb ik zelf niet gezien.” Op die zitting verklaart zij ook: “Het klopt dat ik eerder verschillende mogelijke oorzaken van het letsel bij de borst/hals overgang heb genoemd. Ik heb verklaard dat het letsel
kan(cursivering AG) zijn veroorzaakt bij het heen en weer gaan met het mes, doordat (het slachtoffer) is gevallen of door iemand anders die voorbij is gelopen.” Het komt mij voor dat dit eerder uitingen zijn waarmee de verdachte probeert aan te geven dat zij niets met de fatale steekwond van doen heeft, dan dat zij er een (redelijk) alternatief scenario mee beoogt te schetsen. Hoe het ook zij, het hof heeft de verklaring van de verdachte dat het slachtoffer misschien zichzelf heeft gestoken wel als een alternatieve lezing aangemerkt. Mogelijk is het hof daartoe gekomen doordat de verdachte aan die lezing wat cachet heeft gegeven door ook te verklaren dat het slachtoffer “heel vaak” tegen haar zei “dat hij dood wilde, hij had geen zin meer in het leven”. Ik aarzel of die toevoeging haar verklaring tilt naar het niveau van een alternatieve lezing.
4.2.2.
Ervan uitgaande dat er wel sprake is van een alternatieve lezing ligt vervolgens de vraag voor of het hof dit door en namens de verdachte gevoerde verweer op basis van de juiste maatstaf heeft beoordeeld en – in het onderhavige geval – terzijde heeft geschoven. Waar geen twijfel over kan bestaan, – en ook bij de steller van het middel niet lijkt te bestaan – is dat het hof het verweer heeft beoordeeld overeenkomstig HR 16 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3359,
NJ2010/314, m.nt. Y. Buruma. In dit arrest heeft de Hoge Raad in rechtsoverweging 2.5. immers het volgende overwogen:
“Als uitgangspunt heeft te gelden dat ingeval een verdachte het hem tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met een bewezenverklaring zou stroken, de rechter - indien hij tot een bewezenverklaring komt - die aangedragen alternatieve gang van zaken zal moeten weerleggen.
Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding, al dan niet in een nadere bewijsoverweging, van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. Ten slotte kunnen zich gevallen voordoen waarin de lezing van de verdachte zo onwaarschijnlijk is, dat zij geen uitdrukkelijke weerlegging behoeft.”
4.2.3.
In de onderhavige zaak acht het hof de alternatieve lezing ‘niet aannemelijk geworden’. Daarmee handelt het hof overeenkomstig het door de Hoge Raad gegeven beoordelingskader, dat ‘in voorkomende gevallen’ ook het aannemelijkheidscriterium toelaat. De steller van het cassatiemiddel richt de pijlen op dit criterium. Toepassing van dit criterium zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting.
4.2.4.
Als ik het goed zie, worden hiervoor drie argumenten aangevoerd.
Het eerste argument is dat de onschuldpresumptie verlangt dat een alternatief scenario, dat onverenigbaar is met een bewezenverklaring van het tenlastegelegde, slechts kan worden verworpen indien het beweerde alternatief ‘zeer onwaarschijnlijk is geworden’ (schriftuur punt 11 t/m 14).
Het tweede argument is dat met de onschuldpresumptie niet is te verenigen dat de verdachte het alternatief aannemelijk moet maken (schriftuur punt 15).
Het derde argument is dat de afgelopen jaren in verschillende soorten zaken (waaronder met name witwaszaken) door de rechter steeds vaker op enig moment en in bepaalde mate, een verklaring van de verdachte wordt verlangd. De eis die aan die verklaring wordt gesteld is dat zij ‘niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk’ mag zijn. Gelet op de toelichting op het middel betoogt de steller dat het ten behoeve van de duidelijkheid en rechtseenheid wenselijk is om in relatie tot de onschuldpresumptie een materieel gelijke maatstaf te hanteren voor elk type strafzaak waarin de onschuldpresumptie speelt (schriftuur punt 16 en 17).
4.2.5.
Wat betreft het eerste argument zoekt de steller van het middel aansluiting bij het – met de Moddermanprijs bekroonde – proefschrift van J.H.B. Bemelmans. Daarin is betoogd dat het verwerpen van een alternatieve voorstelling van zaken met de formule dat die lezing ‘niet aannemelijk is geworden’, niet uitsluit dat die lezing wel redelijke twijfel over de bewezenverklaring zaait. Bemelmans pleit er daarom voor dat de rechter een alternatieve voorstelling van zaken die onverenigbaar is met een bewezenverklaring slechts kan verwerpen indien die voorstelling van zaken ‘zeer onwaarschijnlijk is geworden’. [1]
4.2.6.
Bemelmans bepleit hetzelfde ten aanzien van excepties. Ook daar zou naar zijn oordeel aan de onschuldpresumptie “vollediger en consequenter recht worden gedaan door de maatstaf ‘niet aannemelijk geworden’ te vervangen door ‘zeer onwaarschijnlijk geworden’”. [2] Op dit onderdeel van het proefschrift is een beroep gedaan in een redelijk recente zaak uitmondend in HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417,
NJ2022/178, m.nt. A.J. Machielse. Daaraan voorafgaand heeft mijn ambtgenoot A.E. Harteveld na een analyse van de literatuur en het relevante internationale recht geconcludeerd dat er bij de beoordeling van strafuitsluitingsgronden geen noodzaak bestaat om het criterium van de ‘aannemelijkheid’ te vervangen. [3] De Hoge Raad komt tot dezelfde conclusie. In zijn arrest overweegt hij dat het hof met het oordeel dat de door de verdediging – in het kader van een beroep op noodweer – gestelde aanranding ‘niet aannemelijk is geworden’ de juiste maatstaf heeft toegepast. Niet onvermeld mag blijven dat de Hoge Raad in een hieraan voorafgaande passage wel aanleiding heeft gezien zijn eerdere rechtspraak te verduidelijken.
“2.3.3 Voor aanvaarding van het beroep is onder meer vereist dat de rechter de feitelijke grondslag ervan aannemelijk acht. Ter verduidelijking van eerdere rechtspraak merkt de Hoge Raad hierover het volgende op. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat beroep steunt, geldt – anders dan voor de beslissing over de bewezenverklaring – niet als maatstaf dat deze feiten en omstandigheden zich ‘buiten redelijke twijfel’ hebben voorgedaan. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.”
4.2.7.
Ik keer terug naar het middel en in het bijzonder naar de vraag of de maatstaf dat een alternatieve lezing niet aannemelijk is geworden voldoende recht doet aan de onschuldpresumptie. Bemelmans heeft zonder meer een punt dat alternatieve lezingen die de rechter als zeer onwaarschijnlijk aanmerkt geen redelijke twijfel zaaien en niet aan een bewezenverklaring in de weg staan. Ook heeft hij een punt als hij stelt dat niet aannemelijk geworden alternatieve scenario’s redelijke twijfel over de bewezenverklaring niet uitsluiten. Het is echter de vraag of daarmee dan ook is gezegd dat de rechter bij niet aannemelijk geworden alternatieve lezingen onvermijdelijk tot een bewezenverklaring zal komen. Ongeacht de maatstaven die gelden voor de beoordeling van alternatieve lezingen – in zijn arrest van 16 maart 2010 reikt de Hoge Raad de feitenrechter maar liefst vier opties aan – blijft voor een bewezenverklaring altijd gelden dat deze alleen mogelijk is wanneer de rechter op basis van voldoende wettig bewijs de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan of dat – ‘moderner’ geformuleerd [4] – dit alles ‘buiten redelijke twijfel’ staat. De rechter die een alternatieve lezing niet aannemelijk geworden acht, kan door die lezing toch zijn gaan twijfelen en vrijspreken.
4.2.8.
Ik leid uit het proefschrift van Bemelmans niet af dat hij vindt dat de huidige praktijk tot met de onschuldpresumptie onverenigbare uitkomsten leidt. Hij pleit voor een andere formulering omdat dat beter past bij de onschuldpresumptie. Hoewel ik sympathie koester voor zijn benadering, het leidt immers tot een evenwichtig en sluitend ‘bewijsmodel’, ben ik niet overtuigd van de noodzaak. De vier opties die de Hoge Raad in zijn arrest van 16 maart 2010 aanreikt, bieden variatie en dwingen de feitenrechter tot het verder doordenken van het alternatieve scenario en het hanteren van de meest passende maatstaf. Daar kan de strafrechtspleging naar mijn mening alleen maar baat bij hebben.
4.2.9.
Het tweede door de steller van het middel aangevoerde argument – dat met de onschuldpresumptie niet is te verenigen dat de verdachte het alternatief aannemelijk moet maken – treft naar mijn oordeel geen doel. Een dergelijke uitsluitend op de schouders van de verdachte rustende bewijslast is er niet. [5] De verdachte hoeft immers niets aannemelijk te
maken, zijn alternatieve lezing moet aannemelijk
worden.
4.2.10.
Voor zover de steller van het middel – onder verwijzing naar witwasjurisprudentie – als derde argument aanvoert dat het wenselijk is om te spreken over een materieel gelijk te schakelen maatstaf voor elk type strafzaak, faalt het eveneens. In witwaszaken worden doorgaans andere eisen gesteld aan de door de verdachte afgelegde verklaringen dan in andere strafzaken. De concrete omstandigheden van het geval rechtvaardigen dat niet elk type strafzaak dezelfde maatstaf heeft. [6]
4.2.11.
Ten slotte heb ik mij nog de vraag gesteld of de Hoge Raad met de tussenzin in zijn zojuist in randnr. 4.2.6. geciteerde overweging uit het arrest van 29 maart 2022 over de maatstaf voor de strafuitsluitingsgronden een vingerwijzing heeft willen geven dat hij bij alternatieve scenario’s die zich niet verdragen met een bewezenverklaring mogelijk wel een koerswijziging zou willen inslaan. Ik meen dat dit niet het geval is. Met die tussenzin heeft de cassatierechter enkel de maatstaf aangegeven die geldt voor een bewezenverklaring. Die maatstaf staat buiten redelijke twijfel en kan los worden gezien van de maatstaf die geldt voor de beoordeling van alternatieve scenario’s (en van de maatstaf die geldt voor de beoordeling van excepties). In de ook redelijk recente jurisprudentie van de Hoge Raad waarin de verwerping van een alternatief scenario in cassatie ter discussie is gesteld, ontwaar ik geen aanwijzing dat de hoogste rechter zou menen dat het ‘aannemelijkheidscriterium’ zijn langste tijd heeft gehad. [7]
4.2.12.
Deelklacht a faalt.
De tweede deelklacht
4.3.
Subsidiair klaagt de steller van het middel dat zelfs als het hof bij het beoordelen van de alternatieve lezing wel het juiste criterium heeft gehanteerd het bestreden arrest niet in stand kan blijven, omdat de bewezenverklaring niet begrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd, in het bijzonder in het licht van de verklaring van de verdachte wat betreft (het ontbreken van) haar betrokkenheid bij het toebrengen van het dodelijk letsel.
4.3.1.
Over deze deelklacht kan ik kort zijn. De verdachte ontkent schuld te hebben aan het overlijden van het slachtoffer. In het bijzonder ontkent zij het fatale steekletsel dat hoog op de borst (bij de hals) van het slachtoffer is geconstateerd (steekletsel A) te hebben toegebracht. Het hof heeft deze ontkenning als niet aannemelijk terzijde geschoven en hecht in verband met de bewezenverklaring allereerst betekenis aan de omstandigheid dat de verdachte op diverse momenten verklaringen heeft afgelegd c.q. uitlatingen heeft gedaan die op essentiële onderdelen met elkaar in tegenspraak zijn. Nadat het hof in zijn bewijsoverweging vijf van die momenten heeft aangehaald, stelt het vervolgens onder meer vast dat de verdachte geen begin van een verklaring heeft gegeven voor de bij het slachtoffer geconstateerde steekletsels A en C, terwijl zij het slachtoffer naar eigen zeggen vrijwel constant in het zicht heeft gehad, dat het slachtoffer niet gewond was toen de verdachte bij zijn woning aankwam, dat de verdachte heeft verklaard dat zij niemand anders in de woning heeft gezien, dat toen zij buiten op straat stond en 112 belde, geen andere mensen heeft gezien, dat het uitgebreide forensische onderzoek geen enkel solide aanknopingspunt heeft gegeven voor de gedachte dat een (onbekende) derde voor het toebrengen van de steekletsels verantwoordelijk is en dat er geen reden is om te veronderstellen dat het slachtoffer zelf een einde aan zijn leven heeft willen maken (zie voor dit alles onder randnr. 3.5.)
4.3.2.
Ik kan niet inzien waarom de bewezenverklaring onbegrijpelijk en/of onvoldoende zou zijn gemotiveerd. Ik merk op dat de selectie en waardering van het bewijs is voorbehouden aan de feitenrechter. De waardering van het bewijs kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Dat de verdediging in deze zaak tot een andere selectie en waardering van het bewijs komt, maakt de keuze van de feitenrechter nog niet onbegrijpelijk.
4.3.3.
Het oordeel van het hof dat de verdachte verantwoordelijk is voor de dood van het slachtoffer en dat er geen reden is te veronderstellen dat een onbekend gebleven derde, dan wel het slachtoffer zelf daar de hand in zou hebben gehad, acht ik, gezien de bewijsmiddelen, de bewijsvoering en de bewijsoverweging, in onderlinge samenhang bezien, niet onbegrijpelijk en evenmin onvoldoende gemotiveerd.
4.3.4.
Deelklacht b faalt.
4.4.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Slotsom

5.1.
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende formulering.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.J.H.B. Bemelmans,
2.Bemelmans, a.w. p. 373.
3.Zie de conclusie van A-G A.E. Harteveld van 11 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:2, randnr. 4.1-4.12.
4.Volgens het (ambtelijk) concept voor een nieuw Wetboek van Strafvordering staat in art. 4.3.7 lid 2: “Het bewijs kan slechts worden aangenomen als buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan.” Het derde lid van dit artikel luidt: “Indien de rechtbank er niet van overtuigd is dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, spreekt zij hem daarvan vrij.” Het laatste sluit in zekere zin meer aan bij de huidige formulering van art. 338 Sv Pro.
5.Zie bijvoorbeeld HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417,
6.In dezelfde zin begrijp ik A.J. Machielse onder punt 8 in diens noot onder HR 29 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:417,
7.Zie bijv. HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:898; HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1019; HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:277 waarin de Hoge Raad dergelijke verweren afdeed met art. 81 lid 1 RO Pro.