Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
omdat een zodanig beroep in voorkomend geval tot een naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar resultaat leidt” (rov. 4.6). De tekst van artikel 15.2 is niet weergegeven door de rechtbank, maar wel door het hof, in de tweede [5] rov. 4.4 van het bestreden arrest (randnummer 2.8 hierna).
Productenlijst Politiekeurmerk Veilig Wonen Bestaande Bouw” [9] is gericht op drie minuten inbraakwerendheid. [eiser] heeft verder niet weersproken dat het voor een inbreker, als een slot is voorzien van een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging, met een koevoet hooguit een paar minuten meer tijd kost om binnen te komen. In het licht van de hiervoor beschreven aanloop en werkwijze van de inbreker heeft [eiser] niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de inbreker zich door een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging zou hebben laten weerhouden om binnen te komen en, vanwege het tijdsbeslag, naar elders zou zijn vertrokken. De inbraak vond plaats aan de achterkant van de woning, de (schrik)lamp was weggedraaid en [eiser] was niet thuis op dat moment. Zo’n cilinder met antitrekbeveiliging zou hier een inbraak niet hebben voorkomen. Het is dan ook niet redelijk, zoals [eiser] voorstaat, de onzekerheid over het causaal verband tussen de tekortkoming van ELN en de inbraakschade van [eiser] voor risico van ELN te laten. Aan de door [eiser] gevraagde toepassing van de zogenaamde omkeringsregel [10] komt het hof niet toe. Op deze grond kan de vordering van [eiser] dan ook niet toegewezen worden.”
Aansprakelijkheid” van de hier toepasselijke algemene voorwaarden [11] houdt onder meer in:
is uitdrukkelijk beperkt tot nakoming van de in artikel 11 omschreven Pro garantieverplichtingen.
3.Bespreking van het cassatieberoep
condicio sine qua non-verband vereist tussen de contractuele tekortkoming en de door [eiser] geleden schade door diefstal van zijn bezittingen. Het hof heeft in rov. 4.2 in overeenstemming met de hoofdregel van art. 150 Rv Pro overwogen dat stelplicht en bewijslast daarvan – en daarmee dus ook het bewijsrisico – op [eiser] rusten. Het is volgens die hoofdregel dus aan [eiser] om aannemelijk te maken dat de inbraak niet zou hebben plaatsgevonden als het achterdeurslot wél was voorzien van een cilinder met antitrekbeveiliging. Het onderdeel voert in wezen aan dat het hof, alleen al gezien de (inhoud van de) contractuele tekortkoming van ELN, de bewijslast had moeten omdraaien, zodat deze op ELN zou komen te rusten. Dit standpunt vindt echter geen steun in het recht. Volgens art. 150 Rv Pro vindt de daarin geformuleerde hoofdregel geen toepassing indien uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. [16] Het is niet duidelijk wat [eiser] tegen deze achtergrond op het oog heeft. Hij roept geen bijzondere regel in en mij is ook geen in aanmerking komende bijzondere regel bekend. [17] [eiser] voert ook niet aan dat het hof op grond van de redelijkheid en billijkheid tot een afwijking van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro moest komen. Ik zie daarvoor overigens ook geen grond. [18]
een deurtje verder zouden zijn gegaan”, zoals de rechtbank heeft overwogen (randnummer 2.2 hiervoor) en zoals ook de politie heeft verklaard. [20] Aldus is het volgens [eiser] niet aan hem om aannemelijk te maken dat een cilinder met antitrekbeveiliging hier een inbraak zou hebben voorkomen, maar was het aan ELN om te stellen en zo nodig te bewijzen dat dat niet het geval zou zijn geweest.
eerstheeft geprobeerd om met een koevoet via de achterdeur binnen te komen en
vervolgens, toen dat niet lukte, de cilinder uit het achterdeurslot heeft getrokken. De overwegingen van het hof in (de eerste) rov. 4.4 moeten dan ook zo verstaan worden dat het de inbreker volgens het hof, als het achterdeurslot wél was voorzien van een cilinder met antitrekbeveiliging, ook, verder gebruikmakend van zijn koevoet, gelukt was om binnen te komen. Daarvoor had de inbreker immers de tijd (want de inbraak vond plaats aan de achterkant van de woning, de (schrik)lamp was weggedraaid en [eiser] was niet thuis) en met een koevoet komt een inbreker uiteindelijk ook langs een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging. Dit laatste duurt hoogstens wat langer. De inbreker zou dan ook niet per se ‘een deurtje verder’ zijn gegaan als het slot was voorzien van een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging. Deze overwegingen zijn niet onbegrijpelijk.
Vivat/ATF-arrest heeft verwezen, waarin Uw Raad, als ik het goed zie voor het laatst, heeft bevestigd wanneer toepassing van de omkeringsregel aan de orde is. [22] In deze zaak ging het om een door ATF geproduceerde en in het verkeer gebrachte soldeermachine. Na ingebruikname door besloten vennootschap ‘A’ ontstond er brand in de soldeermachine, waardoor de bedrijfsruimte van ‘A’ en de daaraan verbonden woning van haar directeur nagenoeg volledig werden verwoest. De schade werd vergoed door Vivat, die vervolgens krachtens subrogatie schadevergoeding vorderde van ATF. Volgens Vivat had ATF onrechtmatig gehandeld door als producent een machine in het verkeer te brengen die door een ontwerpfout niet aan de veiligheidsvoorschriften voldeed en bij normaal gebruik schade veroorzaakte. Het hof wees de vordering van Vivat af, omdat, kort samengevat, niet uitgesloten kon worden dat een door ‘A’ (en dus niet door ATF) aangebrachte substantiële wijziging van de soldeermachine de oorzaak van de brand in de soldeermachine is geweest. Met een dergelijk scenario hoefde ATF bij het ontwerp en in het verkeer brengen van de soldeermachine geen rekening te houden. Het oordeel van het hof hield in cassatie echter geen stand. Vaststond dat de soldeermachine niet was beschermd tegen intern ontploffingsgevaar, zodat deze niet voldeed aan de Europese richtlijn 98/37/EG (de Machinerichtlijn) en de verwarmingsunit van de machine niet voldeed aan de hier toepasselijke Europese richtlijn 94/9/EG (de ATEX-richtlijn). De soldeermachine was gebrekkig en voldeed niet aan de toepasselijke veiligheidseisen doordat de fluxdampen in aanraking konden komen met de verwarmingselementen. In dat licht had het hof zijn oordeel omtrent het causaal verband tussen het in 2002 produceren en in het verkeer brengen van de soldeermachine door ATF en het ontstaan van de brand in 2006 onvoldoende gemotiveerd.
.Op ELN rustte weliswaar de contractuele verplichting om een slot te leveren en te monteren dat een zekere bescherming tegen inbraak zou geven (juist omdat zo’n slot het inbrekers moeilijker maakt), maar dat daarmee inbraak daadwerkelijk wordt voorkomen, is evenmin gezegd. Of inbraak daadwerkelijk wordt voorkomen, is juist weer afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [27] Van een zich opdringend causaal verband tussen normschending en schade dat juist toepassing van de omkeringsregel rechtvaardigt, is hier dus ook geen sprake.
Productenlijst Politiekeurmerk Veilig Wonen Bestaande Bouw” gericht is op drie minuten inbraakwerendheid. Daarnaast heeft het hof gewezen op de niet door [eiser] weersproken stelling van ELN dat het voor een inbreker met een koevoet hooguit een paar minuten meer tijd kost om binnen te komen als een slot is voorzien van een SKG**-cilinder met antitrekbeveiliging. Hiervan uitgaande, kon het hof, in de door het hof ook benadrukte omstandigheden van het concrete geval (de inbreker bevond zich achter het huis, de schriklamp was afgedraaid en er was niemand thuis), tot het oordeel komen dat het niet redelijk is om de onzekerheid over het causaal verband tussen de tekortkoming van ELN en de inbraakschade van [eiser] voor risico van ELN te laten en dat aan toepassing van de omkeringsregel dus niet wordt toegekomen.
kleine fout”. Volgens [eiser] gaat het juist om een ernstige, toerekenbare tekortkoming.
Pannon-arrest [38] heeft het Hof van Justitie aangegeven dat de nationale rechter het nuttig effect moet verzekeren van de door de bepalingen van de Richtlijn gewenste bescherming. De nationale rechter is niet alleen bevoegd om uitspraak te doen over de vraag of een contractueel beding mogelijk oneerlijk is, maar ook verplicht om die kwestie ambtshalve te onderzoeken zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. [39] Van belang in dit verband is hetgeen Uw Raad heeft overwogen in het arrest
[…] / […]. Indien de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt om te vermoeden dat een overeenkomst onder het bereik van de Richtlijn valt en een beding bevat dat oneerlijk is, dient hij daarnaar onderzoek te doen, ook indien daarop gerichte stellingen niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd. Staan de relevante feiten niet alle vast, dan zal de rechter de instructiemaatregelen moeten nemen die in dit verband nodig zijn om de volle werking van de Richtlijn te verzekeren, wat betreft zowel de toepasselijkheid van die Richtlijn, als de mogelijke oneerlijkheid van het beding. [40]
indicatieve en niet uitputtende lijst van bedingen die als oneerlijk kunnen worden aangemerkt” (art. 3 lid 3 Richtlijn Pro). Art. 1 aanhef Pro, onder a, van deze zogenoemde blauwe lijst [41] ziet specifiek op exoneratiebedingen ter zake van overlijden of lichamelijk letsel van de consument ten gevolge van een doen of nalaten van de verkoper. Art. 1 aanhef Pro, onder b ziet vervolgens meer in het algemeen op “
Bedingen die tot doel of gevolg hebben de wettelijke rechten van de consument ten aanzien van de verkoper of een andere partij in geval van volledige of gedeeltelijke wanprestatie of van gebrekkige uitvoering door de verkoper van een van diens contractuele verplichtingen, (…), op ongepaste wijze uit te sluiten of te beperken.” [42] Komt een beding voor op de blauwe lijst, dan is daarmee nog niet gezegd dat het een oneerlijk karakter heeft, maar is dat wel een wezenlijk aspect waarop de rechter zijn beoordeling van het oneerlijke karakter van dat beding kan baseren. Met betrekking tot een dergelijk beding dient te worden nagegaan of het in de context die aan de orde is, een aanzienlijke en ongerechtvaardigde verstoring oplevert van het evenwicht in de zin van art. 3 lid 1 Richtlijn Pro. Het oordeel dat dit het geval is, behoeft een specifieke motivering waarin wordt ingegaan op de relevante omstandigheden van het geval. [43]
gezien de diversiteit van de bovenvermelde factoren”, [49] zonder grote problemen zal slagen indien afwijking van de wettelijke regels werkelijk gerechtvaardigd mag worden geacht. Deze bewijspositie kan lastiger zijn al naar gelang schadeoorzaak of schadesoort. De memorie van toelichting geeft hiervan het volgende voorbeeld: “
een uitsluiting van aansprakelijkheid voor eigen schuld van de ondernemer zal anders liggen dan die voor gedragingen van niet goed controleerbare (bij voorbeeld in het buitenland werkzame) personen van wie de gebruiker zich bedient, en hetzelfde geldt voor een exoneratie ter zake van letselschade vergeleken met een exoneratie ter zake van een moeilijk te voorziene zaaks- of bedrijfsschade”. [50]
Consumentenbondtegen
Energieneden
Vewin, die betrekking heeft op de zogenoemde abstracte toetsing ex art. 6:240 BW Pro door het hof Den Haag van een exoneratiebeding met betrekking tot de zaakschade als gevolg van de onderbreking van de levering van stroom door energieleveranciers heeft het hof Den Haag, met goedkeuring van Uw Raad, [51] uit de zojuist genoemde wetsgeschiedenis afgeleid “
dat bedingen waarbij van de wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding bij niet-nakoming wordt afgeweken, eerst dan geacht kunnen worden tegenover consumenten niet onredelijk bezwarend te zijn, indien die afwijking kennelijk gerechtvaardigd is”. [52]
hier onweersproken”). Bij gebrek aan betwisting door [eiser] mocht het hof uitgaan van de juistheid van deze stelling van ELN.
kleine fout” gaat, maar om een ernstige, toerekenbare tekortkoming, merk ik nog het volgende op. Met “
kleine fout” heeft het hof geen juridische kwalificatie aan de tekortkoming van ELN gegeven, maar enkel een aanduiding van een feitelijke kwestie. Die aanduiding acht ik niet onbegrijpelijk. Het vervangen van een verkeerde cilinder kost een beperkt aantal euro’s en als men daartegenover plaatst dat schade door inbraak vele duizenden euro’s kan bedragen, kan men, gezien de grootte van het verschil, spreken van een kleine fout die grote gevolgen kan hebben.