Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1heeft het hof ten onrechte de stelling van [eiser] onbesproken gelaten dat hij met Achmea op 19 juni 2003 een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten, op grond waarvan de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 9 december 2002 is, zodat verzekeringsovereenkomst 2 van toepassing is en [eiser] tot 1 januari 2020 recht heeft op een uitkering, althans onvoldoende gemotiveerd waarom van de gestelde mondelinge afspraak geen sprake is. Een en ander werkt de steller van het middel onder 1.1 tot en met 1.7 van de procesinleiding nader uit.
schriftelijkevaststellingsovereenkomst. Het hof heeft in rechtsoverweging 3.12 het standpunt van [eiser] onder meer aldus weergegeven dat de brief van 23 juni 2003 de
bevestiginginhield van een eerder tussen partijen bereikte overeenstemming. Het hof heeft de feitelijke juistheid van die stelling vervolgens onderzocht aan de hand van het partijdebat en de in het geding gebrachte producties. Dat het hof inderdaad heeft onderzocht of op 19 juni 2003 tussen partijen een mondelinge vaststellingsovereenkomst was tot stand gekomen, volgt met zoveel woorden uit de eerste zin van rechtsoverweging 3.14. Het volgt verder ook uit rechtsoverweging 3.15, waar het hof zegt dat het bestaan van een overeenkomst onder meer ook zou hebben kunnen volgen uit het bestaan van ‘de situatie dat [eiser] redelijkerwijs aan verklaringen en/of gedragingen van Achmea het vertrouwen kon ontlenen dat Achmea een overeenkomst over de toepasselijke eigen-risicotermijn (en daarmee de toepasselijkheid van verzekeringsovereenkomst 2) heeft willen sluiten.’ Uit dit laatste volgt ook dat de steller van het middel
onder 1.4het hof ten onrechte de opvatting toeschrijft dat de afwezigheid van vastlegging van een afspraak, het bestaan van die afspraak zou uitsluiten.
binden(art. 7:900 BW Pro)
.Tegen deze achtergrond is niet onjuist en ook niet onbegrijpelijk dat het hof ook het aanbod om [betrokkene 1] als getuige te horen, heeft gepasseerd. Uit de enkele stelling dat toepasselijkheid van Verzekeringsovereenkomst-2 ‘is toegezegd’, kan naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof niet de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst worden afgeleid. Het onderdeel faalt.
onderdeel 3niet kan slagen.
is herroepen.