ECLI:NL:PHR:2022:1217

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
19/05518
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 588 Sv (oud)Art. 588a Sv (oud)Art. 590 Sv (oud)Art. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens schending aanwezigheidsrecht door onjuiste betekening dagvaarding in hoger beroep

De verdachte werd in hoger beroep bij verstek veroordeeld voor diefstal met geweld. Tijdens het hoger beroep was onduidelijkheid over de correcte betekening van de dagvaarding. De verdachte had bij het instellen van het hoger beroep twee adressen opgegeven, waarvan één als speciaal adres in de zin van art. 588a lid 1 onder c Sv (oud).

Er is echter geen bewijs dat een afschrift van de dagvaarding aan dit speciaal opgegeven adres is verzonden, terwijl dit volgens de toen geldende wettelijke bepalingen verplicht was. Het hof heeft het onderzoek ter terechtzitting niet geschorst ondanks het ontbreken van deze betekening en heeft verstek verleend tegen de verdachte.

De procureur-generaal concludeert dat hierdoor het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden. Het hof heeft onvoldoende onderzocht of de verdachte op de hoogte was van de zitting of geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting wegens schending van het aanwezigheidsrecht door onjuiste betekening.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer19/05518
Zitting20 december 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft bij (verstek)arrest van 13 mei 2019 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 17 augustus 2018 bevestigd en heeft daarbij de kwalificatie van de politierechter verbeterd gelezen. De verdachte is voor – kort gezegd – diefstal met geweld veroordeeld tot een gevangenisstraf van één maand, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Bijna twee jaar later, op 19 april 2021, heeft het hof een herstelarrest gewezen. Daarin heeft het hof de reeds in zijn arrest van 13 mei 2019 verbeterde kwalificatie opnieuw verbeterd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel is gericht tegen de beslissing van het hof de zaak bij verstek te behandelen in plaats van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te schorsen omdat geen afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden aan de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte als bedoeld in art. 588a lid 1 onder c Sv (oud). De steller van het middel klaagt dat het hof de zaak in dit geval niet inhoudelijk had mogen behandelen, aangezien er geen twijfel over kon bestaan dat de verdachte niet op de hoogte was van de datum en het tijdstip van de behandeling van zijn zaak in laatste feitelijke instantie. Door de zaak bij verstek te behandelen, is het in art. 6 EVRM Pro gegarandeerde aanwezigheidsrecht van de verdachte geschonden, aldus de steller van het middel.
De relevante gedingstukken
2.2
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevinden zich:
(i) Een “Akte rechtsmiddel” (instellen hoger beroep) van 12 oktober 2018. Als woonadres van de verdachte is daarop vermeld [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1].
(ii) Een aan de akte rechtsmiddel gehechte brief van de verdachte. De brief was gericht aan het arrondissementsparket Noord-Nederland en is blijkens de datumstempel op de brief daar op 12 oktober 2018 ontvangen. Op 26 oktober 2018 is de brief door een medewerker van het parket per mail doorgezonden aan de strafgriffie van de rechtbank. Volgens de akte rechtsmiddel heeft een medewerker van de strafgriffie deze aan de akte gehechte brief opgevat als een schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van het hoger beroep. [1] Aan het slot van deze brief zijn, zonder nadere toelichting, twee adressen vermeld:
“Naar Waarheid Geschreven,
[verdachte]
[a-straat 1]
[postcode 1]
[plaats 1]
[telefoonnummer 1]
[handtekening verdachte]
[A]
[b-straat 1]
[postcode 2]
[plaats 2]
reserveringen?
tel [telefoonnummer 2]”
(iii) Een informatiestaat SKDB van 1 maart 2019, die onder meer inhoudt dat:
- de verdachte vanaf 9 augustus 2018 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1];
- de laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van verdachte sinds 10 maart 2018 is [b-straat 1], [postcode 2] te [plaats 2].
(iv) Een op 1 maart 2019 gedateerde “Dagvaarding van verdachte in hoger beroep” voor de zitting van 13 mei 2019. De dagvaarding vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1], [postcode 1] te [plaats 1]. Uit de akte van uitreiking blijkt dat de appeldagvaarding op 7 maart 2019 op dat adres is aangeboden, maar niet kon worden uitgereikt, omdat niemand werd aangetroffen. In de akte is vermeld dat een bericht van aankomst is achtergelaten en dat de dagvaarding op 18 maart 2019 is teruggezonden aan de afzender, waarna op 21 maart 2019 de uitreiking aan de griffier van de rechtbank heeft plaatsgevonden. Daarmee is deze betekening voltooid. [2] Opgemerkt zij dat conform art. 588 lid 3 sub Pro c, laatste volzin Sv (oud) op de dag van de griffiebetekening ook een afschrift van de dagvaarding is verzonden aan het adres [a-straat 1].
(v) Een informatiestaat SKDB van 26 april 2019, die onder meer inhoudt dat de verdachte vanaf 15 april 2019 staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op het adres [c-straat 1], [postcode 3] te [plaats 1].
(vi) Een op 26 april 2019 gedateerde “Dagvaarding van verdachte in hoger beroep” voor de zitting van 13 mei 2019. De dagvaarding vermeldt als adres van de verdachte [c-straat 1], [postcode 3] te [plaats 1]. Uit een kopie van de voorkant van de akte van uitreiking blijkt dat deze dagvaarding op 26 april 2019 is aangeboden aan de [c-straat 1] te [plaats 1], maar niet is uitgereikt, omdat volgens mededeling van degene die zich op dat adres bevond, de geadresseerde niet op het adres woont of verblijft. Van een verder vervolg van deze betekening blijkt niet uit de stukken. De originele akte van uitreiking bevindt zich niet in de gedingstukken en een kopie van de achterzijde van de akte ontbreekt.
(vii) Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 mei 2019, waarin staat:
“De voorzitter doet de zaak tegen de na te noemen verdachte uitroepen.
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [postcode 3] [plaats 1], [c-straat 1]
is niet verschenen.
De voorzitter deelt – zakelijk weergegeven – het volgende mede:
De dagvaarding in hoger beroep is correct betekend op de woon- of verblijfplaats van verdachte, namelijk: [c-straat 1] te [plaats 1]. Op 7 maart 2019 is de dagvaarding ook verstuurd naar het adres op de appelakte, te weten: [a-straat 1] te [plaats 1].
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte.”
Het juridisch kader
2.3
Ten tijde van het uitreiken van de dagvaarding waren art. 588 (oud) Sv, art. 588a (oud) Sv en art. 590 (oud) Sv van toepassing. [3] Indien door of namens de verdachte bij het instellen van een rechtsmiddel een ander adres in Nederland is opgegeven dan het adres waarop hij is ingeschreven in de BRP, dient volgens art. 588a lid 1 onder c (oud) Sv een afschrift van de appeldagvaarding aan dat adres te worden toegezonden. De vermelding van een adres van de verdachte in een aan de akte van instellen hoger beroep gehechte schriftelijke bijzondere volmacht moet worden verstaan als een opgave van een adres in de zin van dit artikel. [4]
2.4
Op grond van art. 588a lid 3 (oud) Sv kan de verzending van een afschrift achterwege worden gelaten, indien:
- het opgegeven adres gelijk is aan het adres waaraan de dagvaarding ingevolge artikel 588 (oud) Sv moet worden uitgereikt;
- de verdachte uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven het opgegeven adres niet te willen handhaven, of
- de dagvaarding inmiddels is uitgereikt aan de verdachte in persoon dan wel een andere persoon als bedoeld in artikel 588 lid 3 onder Pro b (oud) Sv.
2.5
In art. 590 lid 3 Sv Pro (oud) is bepaald dat de rechter, als niet aan de verzendplicht als bedoeld in art. 588a (oud) Sv is voldaan, de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting beveelt, tenzij – kort gezegd – blijkt dat de verdachte van de dag van de terechtzitting op de hoogte was, dan wel blijkt dat de verdachte kennelijk geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid.
Bespreking van het middel
2.6
In de als schriftelijke bijzondere volmacht tot het instellen van hoger beroep aangemerkte brief van de verdachte, die op 12 oktober 2019 bij het parket Noord-Nederland is binnengekomen, worden twee adressen genoemd. Het eerste adres, de [a-straat 1] te [plaats 1], komt overeen met het toenmalige BRP-adres van de verdachte. Het tweede adres, de [b-straat 1] te [plaats 2], is het adres dat sinds 12 maart 2018 op de informatiestaat SKDB staat vermeld als laatst opgegeven woon- of verblijfplaats van de verdachte. Hoewel in de zojuist aangehaalde brief geen toelichting op beide adressen is gegeven, kan het adres [b-straat 1] naar mijn mening bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een opgave als bedoeld in art. 588a lid 1 onder c (oud) Sv.
2.7
Uit de stukken van het geding blijkt niet dat een afschrift van de appeldagvaarding aan de [b-straat 1] te [plaats 2] is gezonden. Er is enkel ingevolge art. 588 lid 3 onder Pro c (oud) Sv een afschrift van de dagvaarding van 1 maart 2019 verzonden naar de [a-straat 1] te [plaats 1]. Van de dagvaarding van 26 april 2019 met het adres [c-straat 1] is volgens de stukken geen enkel afschrift verzonden, noch een als bedoeld in art. 588 lid 3 onder Pro c (oud) Sv noch een als bedoeld in art. 588a lid 1 onder c (oud) Sv. Het moet er daarom voor worden gehouden dat in maart 2019 noch in april 2019 een afschrift van de dagvaarding aan de [b-straat 1] te [plaats 2] is gezonden.
2.8
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 mei 2019 blijkt niet dat het hof zich ervan heeft vergewist wat de status is van het adres [b-straat 1] te [plaats 2], terwijl dit adres wel is vermeld in de SKDB-staat en in de als bijzondere schriftelijke volmacht aangemerkte brief van de verdachte tot het instellen van hoger beroep. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt ook niet dat het hof zich de vraag heeft gesteld of zich een omstandigheid voordeed als bedoeld in art. 588a lid 3 (oud) Sv, op grond waarvan het verzenden van een afschrift aan dit adres achterwege kon blijven. Daarbij is van belang dat in art. 588a lid 3 (oud) Sv niet was opgenomen dat het verzenden van een afschrift achterwege kon blijven indien de geadresseerde, nadat hij een adres voor het verzenden van een afschrift had opgegeven, zijn BRP-adres wijzigde. Een dergelijke uitzondering is wel opgenomen in het huidige art. 36g lid 3 sub c Sv. [5] Onder het regime van art. 588a (oud) Sv leverde een latere wijziging van het BRP-adres geen uitzondering op de verzendplicht op. In de wetsgeschiedenis bij art. 588a (oud) Sv is daarover het volgende opgemerkt: [6]
“Géén uitzondering op de verzendplicht van artikel 588a, eerste lid, wordt gevormd door het geval dat de verdachte ná zijn adresopgave bij de politie of justitie zijn inschrijving in de GBA heeft gewijzigd. De desbetreffende adressen staan los van elkaar: het ingevolge artikel 588 op Pro te geven adres is een ander adres dan het GBA-adres (is het wel hetzelfde, dan behoeft daaraan geen afschrift te worden gezonden). Wanneer de verdachte wijziging brengt in zijn GBA-adres behoeft dat niet te betekenen dat hij er geen prijs meer op stelt om een afschrift van de dagvaarding te ontvangen op het andere, speciaal daarvoor door hem opgegeven adres.”
2.9
Ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat uit de omstandigheid dat de verdachte zich heeft laten inschrijven op een ander adres in de (toenmalige) GBA, niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte een adres als bedoeld in art. 588a lid 1 (oud) Sv niet wil handhaven als adres waar hij een afschrift van de appeldagvaarding wenst te ontvangen. [7] Het feit dat de verdachte in het onderhavige geval zijn BRP-adres op 15 april 2019 heeft gewijzigd bracht onder het regime van art. 588a (oud) Sv dus niet met zich mee dat een verzending van een afschrift aan de [b-straat 1] te [plaats 2] achterwege kon blijven.
2.1
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 mei 2019 heeft de voorzitter van het hof vastgesteld dat de dagvaarding in hoger beroep “correct (is) betekend op de woon- of verblijfplaats van verdachte, namelijk: [c-straat 1] te [plaats 1]. Op 7 maart 2019 is de dagvaarding ook verstuurd naar het adres op de appelakte, te weten: [a-straat 1] te [plaats 1].” Het lijkt erop dat hier twee adressen door elkaar worden gehaald. Uit de stukken blijkt immers niet van een correcte (geheel afgeronde) betekening op het adres [c-straat 1] te [plaats 1]. Gelet op de termijn tussen het uitsturen van deze dagvaarding (26 april 2019) en de zittingsdatum (13 mei 2019) heeft het er alle schijn van dat naar aanleiding van een laatste adrescontrole vóór de zitting enkel nog is getracht een betekening in persoon te realiseren op een nieuw BRP-adres. (Met die werkwijze wordt getracht kostbare zittingstijd te sparen).
2.11
Hiervoor is al opgemerkt dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting niet blijkt dat het hof enige aandacht heeft gehad voor de status van het adres aan de [b-straat 1] in [plaats 2]. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting blijkt evenmin dat het hof aandacht heeft gehad voor de vraag of kon worden aangenomen dat de verdachte van de dag van de nadere terechtzitting op de hoogte was dan wel geen prijs stelde op berechting in zijn tegenwoordigheid. In het onderhavige geval bestond daarvoor te meer reden omdat de behandeling in eerste aanleg ook al een verstekbehandeling was geweest.
2.12
Ik rond af en stel vast dat in de onderhavige zaak geen afschrift van de appeldagvaarding is verzonden aan het door de verdachte opgegeven adres aan de [b-straat 1] te [plaats 2], dat niet is gebleken dat dit op grond van art. 588a lid 3 (oud) Sv niet hoefde en dat het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen om verdachte in de gelegenheid te stellen daarbij alsnog aanwezig te zijn. De beslissingen van het hof om verstek te verlenen en de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting niet te schorsen zijn daarom niet zonder meer begrijpelijk.
2.13
Het middel slaagt.
2.14
Gelet daarop behoeven de overige middelen van de verdachte geen bespreking. Indien de Hoge Raad anders mocht oordelen, ben ik uiteraard bereid aanvullend te concluderen.

3.Slotsom

3.1
Het eerste middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Dat kan niet kloppen. In de akte rechtsmiddel staat immers vermeld dat de griffier van de rechtbank de aan de akte gehechte brief op 12 oktober 2018 heeft ontvangen, terwijl de mailwisseling en de handgeschreven datering en ondertekening van de brief erop duiden dat de aangehechte brief pas op 26 oktober 2018 aan de griffie is verzonden. Mogelijk is de griffier bij het opstellen van de appelakte – ten onrechte – uitgegaan van de datum van ontvangst van de brief op het parket. Ook is mogelijk dat er nog een andere brief (of een ander exemplaar van dezelfde brief) van de verdachte is geweest die wel op 12 oktober 2018 bij de strafgriffie is binnen gekomen. De mail van de medewerker van het parket van 26 oktober lijkt daarop te duiden, omdat daarin staat dat de verdachte hoger beroep “had (…) ingesteld”, maar een dergelijke brief is niet aan de akte gehecht.
2.Zie HR 3 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6154,
3.Sinds 1 januari 2020 zijn deze betekeningsvoorschriften voor gerechtelijke stukken met de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82, kort gezegd: de Wet USB) vervangen door de in titel IIb van het eerste boek van het Wetboek van Strafvordering opgenomen artikelen 36e, 36g en 36n.
4.HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4497,
5.Zie daarover HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1506,
7.HR 27 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4736,