Conclusie
Nummer22/03569 U
Affidavit in support of request for extradition van de United States district court Western district of Texas Austin divisionvan 21 maart 2022, dat is gevoegd bij het uitleveringsverzoek”.
De middelen
eerste middelklaagt dat bij het verzoek tot uitlevering niet dan wel onvoldoende is gevoegd het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van de opgeëiste persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd (als bedoeld in art. 9 lid 3 aanhef Pro en onder b van het Verdrag). Daardoor zou niet (zonder meer) kunnen worden gezegd dat sprake is van een zodanig redelijk vermoeden van schuld van de opgeëiste persoon aan de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht – te weten de feiten die (mede) op Amerikaans grondgebied zouden hebben plaatsgevonden – dat de verzochte uitlevering kan worden toegestaan. Blijkens de toelichting klaagt het middel in het bijzonder dat ten aanzien van de vier in de Affidavit geconcretiseerde voorbeelden van computervredebreuk in het uitleveringsverzoek onvoldoende stukken zijn gevoegd om te kunnen bepalen dat voor deze feiten sprake is van een redelijk vermoeden van schuld dat de opgeëiste persoon zich hieraan (mede)schuldig heeft gemaakt.
tweede middelbevat twee deelklachten. De
eerste deelklachthoudt in dat bij het verzoek tot uitlevering niet dan wel onvoldoende is gevoegd een uiteenzetting van de feiten, met inbegrip van het tijdstip waarop en de plaats waar het misdrijf werd gepleegd (als bedoeld in art. 9 lid 2 onder Pro b van het Verdrag). Blijkens de toelichting wordt in het bijzonder geklaagd dat uit de stukken bij het uitleveringsverzoek niet zou blijken waar en wanneer de opgeëiste persoon zich zou hebben beziggehouden met de 'ontwikkeling en verbetering van de malware’.
tweede deelklachtvan het tweede middel houdt in dat bij het uitleveringsverzoek de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht voor zover het de feiten betreffen die buiten het grondgebied van de verzoekende Staat zijn gepleegd (als bedoeld in art. 9 lid 2 onder Pro e van het Verdrag) ontbreken. De rechtbank heeft onderkend dat bij het uitleveringsverzoek geen rechtsmacht-bepalingen zijn gevoegd, maar heeft gelet daarop en gelet op de vier geconcretiseerde voorbeelden van computervredebreuk met betrekking tot computers van slachtoffers in de Verenigde Staten geoordeeld dat zij het uitleveringsverzoek zo begrijpt dat de uitlevering van de opgeëiste persoon alleen wordt verzocht voor strafbare feiten waarvan de pleegplaatsen (mede) op het grondgebied van de Verenigde Staten zijn gelegen. In de toelichting op het middel wordt evenwel aangevoerd dat zich geen redelijk vermoeden van schuld voordoet dat de opgeëiste persoon de ontwikkeling en verbetering van de malware, waarmee de opgeëiste persoon zich met name zou hebben bezig gehouden, zou hebben verricht middels computers en internet binnen het territorium van de Verenigde Staten. Dat de eindgebruikers van de malware mogelijk op het grondgebied van de Verenigde Staten strafbare feiten zouden hebben gepleegd, zou niet zonder meer tot rechtsmacht van de Verenigde Staten leiden over de aan de opgeëiste persoon toegeschreven gedragingen.