Conclusie
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. A.H. Vermeulen,
verweerder in cassatie,
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang
3.Bespreking van het cassatiemiddel
rechtsoverweging 5.9van de bestreden beschikking oordeelt het hof dat “niet kan komen vast te staan dat de opvoedsituatie van de ouders inmiddels voor de minderjarige voldoende veilig is en zij thans of op korte termijn weer bij hen kan opgroeien zonder ernstig in haar ontwikkeling te worden bedreigd.” De ouders betogen dat er sprake is van een onbegrijpelijk oordeel. Ten eerste omdat onduidelijk is wat het hof onder een ‘korte termijn’ verstaat. Ten tweede omdat onduidelijk is waarom het feit dat de vier oudere zussen van de minderjarige inmiddels en kennelijk zonder problemen weer bij de ouders wonen naar het oordeel van het hof niet ter zake doet.
. Er is geen zicht op de zussen in de thuissituatie(cursivering A-G). Dat er geen zorgen worden geuit vanuit de middelbare school die door de zussen wordt bezocht acht het hof gezien het beperkte blikveld van een middelbare school onvoldoende om te concluderen dat het ook daadwerkelijk goed gaat met die kinderen in de thuissituatie bij de ouders.”
De klacht faalt.
rechtsoverweging 5.11van de bestreden beschikking oordeelt het hof “dat het toekomstperspectief van de minderjarige niet bij de ouders ligt, maar bij de pleegouders.” De ouders menen dat er sprake is van een onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd oordeel, omdat het hof de mening van de minderjarige (die thuisgeplaatst wil worden) en de visie van de pleegouders (opvoedperspectief ligt bij de ouders) niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken. Dat de thuissituatie op korte termijn onvoldoende zou zijn, is onvoldoende motivering voor het oordeel dat het perspectief bij de pleegouders ligt. [11]
Daarbij merk ik nog op dat de rechter in de beschikking niet hoeft te motiveren of en op welke wijze hij met de wens van de minderjarige rekening heeft gehouden. Artikel 809 Rv Pro bepaalt dat de rechter een oproepplicht heeft voor minderjarigen ouder dan 12 jaar. Artikel 12 IVRK Pro bepaalt dat in alle zaken die minderjarigen betreffen aan de mening van een minderjarige passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid. Uit beide artikelen volgt niet dat de rechter een motiveringsplicht heeft met betrekking tot het afwijken van de mening van de minderjarige. Van der Zon merkt daarover wel op “((…)) Waar de wet niet toe verplicht is dat de rechter motiveert op welke wijze de mening van de minderjarige heeft bijgedragen aan de uiteindelijke beslissing. ((…)). Daarom moet artikel 809 Rv Pro, in overeenstemming met artikel 12 IVRK Pro, worden aangevuld met de verplichting om aan de mening van het kind passend belang toe te kennen in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.” [13] Uit
General Comment nr. 12van het Kinderrechtencomité volgt bovendien nog dat een belangrijke implicatie van het recht om gehoord te worden is dat de mening van het kind serieus genomen moet worden en dat het kind geïnformeerd moet worden over hoe zijn mening is meegenomen in de besluitvorming. Deze terugkoppeling moet garanderen dat het kind niet alleen gehoord is bij wijze van formaliteit, maar dat zijn mening serieus in overweging is genomen, aldus het Comité. [14] Dat de rechtspraak hiermee stoeit, blijkt ook wel uit de ontwikkeling van de laatste jaren waarin uitspraken op kindvriendelijke wijze worden opgesteld of op andere wijze de beslissing aan het kind wordt kenbaar gemaakt. [15] Het voorgaande betekent evenwel niet dat de terugkoppeling aan het kind daadwerkelijk via de beschikking gegeven moet worden. [16]
De klacht faalt.
rechtsoverweging 5.15). [17] De ouders klagen in cassatie dat het hof deze afwijzing niet heeft gemotiveerd, hetgeen leidt tot een onjuiste en onbegrijpelijke beslissing. Dit omdat, zo betogen de ouders, de pleegouders en de oudere zussen van de minderjarige vinden dat de minderjarige teruggeplaatst kan worden. Ook zou een contra-expertise, zo begrijp ik de klacht, juist inzicht kunnen geven met betrekking tot de veiligheid van de thuissituatie bij de ouders en het toekomstperspectief van de minderjarige. Voorts zou het hof onterecht geen aandacht hebben besteed aan de vraag of “gelet op de cultureel zeer van Nederland verschillende Afrikaanse achtergrond van de familie [de vader], niet een modus operandi zou kunnen worden gevonden om na een contra expertise met zoveel mogelijk behoud van de culturele achtergronden van het gezin te bewerkstelligen dat de Nederlandse normen ook worden nageleefd.”