Conclusie
1.Feiten en procesverloop
betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak van drie maanden, voor verschillende vormen van verplichte zorg, waaronder ‘toedienen van medicatie’, ‘verrichten van medische controles’ en ‘opnemen in een accommodatie’. [1] Voor zover in cassatie van belang, heeft de rechtbank het volgende overwogen (onderstreping hier en hierna steeds toegevoegd):
Betrokkene geeft aan wel medicatie te willen gebruiken, maar zodra hij de bijsluiter leest, weigert hij de medicatie ook daadwerkelijk in te nemen. Er is bij betrokkene geen ziekte-inzicht. Volgens betrokkene is er weinig aan de hand, ertoe leidend dat hij zijn problemen externaliseert. Verplichte zorg is gelet op het vorenstaande nodig.”
de zorgverantwoordelijke), aan verweerster in cassatie onder 2 (hierna:
de geneesheer-directeur) bericht dat hij heeft besloten verplichte zorg aan betrokkene te gaan verlenen (art. 8:9 lid 1 Wvggz Pro), namelijk het toedienen van medicatie. Als reden daarvoor is de volgende motivering gegeven: [2]
Het overlast gevend gedrag komt voort uit een psychotische decompensatie bij onderliggend schizofrene stoornis.
In de uitvoeringsbeslissing in het kader van artikel 8:9 Wvggz Pro is geen volledige toelichting gegeven over de vraag of klager in staat moet worden geacht te komen tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. Ter zitting is door verweerder onderbouwd wat klager in het kader van zijn oordeelsvermogen wel en niet kan en heeft verweerder aangegeven dat hij klager verminderd in staat acht om te komen tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake.
Klager heeft eerder goed gereageerd op behandeling met een antipsychoticum. (…).”
de opvolgend zorgverantwoordelijke). [9]
de rechtbank) een verzoekschrift ingediend als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro, ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Betrokkene heeft de rechtbank verzocht zijn klachten gegrond te verklaren en verweerster in cassatie onder 1 (hierna:
de zorgaanbieder) te veroordelen hem een schadevergoeding te betalen van € 50,- per dag voor elke dag die hij van 11 maart 2022 tot en met 29 april 2022 heeft moeten doorbrengen op een gesloten afdeling, en € 100,- per dag voor elke dag waarop hij sinds 11 maart 2022 gedwongen medicatie heeft gekregen. Klacht 1 (toedienen van medicatie) wordt als volgt toegelicht:
In de brief van de zorgverantwoordelijke van 11 maart 2022 wordt de vraag of [betrokkene] in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen wel opgeworpen, maar in feite niet beantwoord. Volgens de zorgverantwoordelijke is [betrokkene] in eerste instantie vaak wel meewerkend als er plannen worden gemaakt, maar zodra er uitvoering aan moet worden gegeven verzet hij zich ertegen. (…)
Het feit dat [betrokkene] op het moment waarop de daadwerkelijke toediening van medicatie dichtbij komt kennelijk terugschrikt, vermoedelijk in verband met de gevreesde bijwerkingen, betekent echter nog niet dat hij niet tot een redelijke waardering van zijn belangen komt. Hij heeft goede redenen waarom hij de medicatie niet wenst, en hij kijkt anders tegen het te verwachten voordeel van het gebruik van medicatie aan dan zijn zorgverantwoordelijke.
Tot gevaar in de zin van artikel 8:9 lid 4 onder Pro b Wvggz leidt het echter niet, zoals reeds is betoogd door de PVP in haar notitie ter toelichting bij het klaagschrift. (…).”
De rechtbank is van oordeel dat de motivering in het uitvoeringsbesluit met betrekking tot de vraag of verzoeker tot een redelijke waardering van zijn belang ter zake in staat was op het moment dat verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging werd toegepast, summier is. Gedurende de behandeling van het klaagschrift door de klachtencommissie en de mondelinge behandeling bij deze rechtbank is echter toereikend toegelicht dat verzoeker ten tijde van het nemen van genoemde uitvoeringsbe[s]lissing niet in staat was tot een behoorlijke waardering van zijn belangen ter zake van de (medicamenteuze) behandeling en de beperking in de bewegingsvrijheid. Ook is voldoende toegelicht dat er een aanzienlijk risico op ernstig nadeel is voor anderen als (medicamenteuze) behandeling uitblijft, waarbij is verwezen naar het grensoverschrijdende gedrag van de verzoeker in de kliniek, het grensoverschrijdende gedrag richting medewerkers van het FACT team en naar anderen in de omgeving van de verzoeker, waaronder zijn buren.
Dit betekent datde rechtbank toetsend en oordelend naar het hier en nu tot de slotsom komt dat de klacht ongegrond is omdat
in de loop van de procedure toereikend is gebleken dat de betrokkene ter zake van de beslissing over zijn behandeling niet wilsbekwaam is(tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is (artikel 8:9 lid 4 Wvggz Pro))
en bovendien sprake is van gevaar voor anderen, zoals bedoeld in artikel 8:9 lid 4 onder Pro b Wvggz.Dit betekent ook dat de wensen en voorkeuren van verzoeker ten aanzien van de verplichte zorg niet gehonoreerd hoeven te worden (artikel 2:1 lid 6 Wvggz Pro).
de klachtenvan de verzoeker over de verplichte zorg in de vorm van medicatie, opname in een accommodatie en beperking van zijn bewegingsvrijheid ongegrond zal verklaren. Dit brengt met zich dat het verzoek om schorsing eveneens zal worden afgewezen. Het verzoek om schadevergoeding zal in het verlengde hiervan worden afgewezen.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
De wensen en voorkeuren van betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is,
of
er een aanzienlijk risico voor een ander isop levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad,
dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.”
verplichte zorg anders dan strekkende tot opname in een accommodatie, op grond van een crisismaatregel, machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel of zorgmachtiging wordt toegepast,
legt de zorgverantwoordelijke, onverminderd het bepaalde in artikel 1:5, na overleg met de vertegenwoordiger,
schriftelijk vast in het dossier, bedoeld in artikel 8:4, met vermelding van de datum en het tijdstip, of:
en
De betrokken uitgangspunten dienen dus tevens in acht te worden genomen bij een beslissing van de zorgverantwoordelijke op de voet van art. 8:9 lid 1 Wvggz Pro, ter uitvoering van een crisismaatregel, een machtiging tot voortzetting daarvan of een zorgmachtiging, tot verlening van een vorm van verplichte zorg waarvoor die maatregel of machtiging (mede) is genomen, respectievelijk verleend. [16] Bij een klacht over een beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro kan derhalve ook worden aangevoerd dat bij het nemen van die beslissing de uitgangspunten van hoofdstuk 2 niet in acht zijn genomen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, doet daaraan niet af dat hoofdstuk 2 van de wet niet wordt genoemd bij de klachtgronden van art. 10:3 Wvggz Pro, noch dat in art. 8:9 Wvggz Pro geen specifieke bepalingen uit dat hoofdstuk zijn vermeld.
Mede gelet op het bepaalde in art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro, zal de zorgverantwoordelijke bij elke beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro die niet strekt tot opname in een accommodatie, moeten onderzoeken of de betrokkene, beoordeeld naar diens gezondheidstoestand op dat moment(zie art. 8:9 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvgzz)
, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de beoogde verplichte zorg,en,
indien dit het geval is en de betrokkene zich verzet,
of er een acuut levensgevaar dreigt voor de betrokkene, dan wel er een aanzienlijk risico voor anderen is, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is, een en ander zoals omschreven in de (in dat opzicht gelijkluidende) art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz en 8:9 lid 4, onder b, Wvggz.” [17]
Verplichte zorg indien de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is”:
Toetsing aan de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid”:
De honorering van wilsbekwaam verzet geldt voor zowel de voorbereiding, de afgifte, de uitvoering als de beëindiging van de crisismaatregel of de zorgmachtiging, dus gedurende de gehele procedure. Ook geldt de honorering van wilsbekwaam verzet voor alle vormen van verplichte zorg, aldus de wetsgeschiedenis.
De rechtbank had daarom moeten vaststellen of zich situaties voordeden als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, aanhef en onder b, Wvggz en, indien dat niet het geval was, moeten beoordelen of sprake was van wilsbekwaam verzet. (…)”
betrokkene zal voldoende moeten begrijpen wat er in zijn geval aan de hand is (zijn toestand kennen) én voldoende in staat moeten zijn om daarover tot behoorlijke (‘redelijke’) afwegingen te komen (kunnen). Het tweede is natuurlijk niet goed mogelijk zonder het eerste; daarom is beide nodig. Een psychische stoornis staat niet zonder meer aan dit ‘kennen en kunnen’ in de weg. Betrokkene kan zijn stoornis immers ‘kennen’ en in staat zijn tot behoorlijke afwegingen over de aanpak of behandeling daarvan. Het zelfbeschikkingsrecht dat ieder mens toekomt en dat art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro beoogt te beschermen, dient dan te worden gerespecteerd, mits geen schade dreigt voor anderen of acuut levensgevaar voor betrokkene zelf. Dat is de gedachte die aan die bepaling ten grondslag ligt, zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is aangehaald uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan. De stoornis kan echter ook het ‘kennen’ of ‘kunnen’ aantasten. Dan is betrokkene wilsonbekwaam.” [23]
Betrokkene kan door gebrek aan ziekte-inzicht van mening zijn dat hij zijn medicatie helemaal niet nodig heeft, maar hij kan wel wilsbekwaam zien en ervaren dat die medicatie bijwerkingen heeft en daar iets van vinden. Dat betrokkene een wellicht onverstandige beslissing neemt, is niet doorslaggevend.” [24]
dat de wensen en voorkeuren van [betrokkene] ten aanzien van de verplichte zorg niet gehonoreerd hoeven te worden (art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro)”, is gebaseerd op twee zelfstandig dragende gronden. De rechtbank heeft, “
toetsend en oordelend naar het hier en nu”, eerst geoordeeld dat in de loop van de procedure toereikend is gebleken dat betrokkene ter zake van de beslissing over zijn behandeling niet wilsbekwaam is (“
tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is”, zie art. 8:9 lid Pro 4, onder a, Wvggz). De rechtbank heeft daarnaast (“
bovendien”) geoordeeld dat sprake is van gevaar voor anderen, zoals bedoeld in art. 8:9 lid Pro 4, onder b, Wvggz. Dit betekent dat de bestreden beschikking alleen kan worden vernietigd indien
beide oordelenin cassatie met succes worden bestreden. Dit volgt ook uit rov. 3.1.6 van de beschikking van de Hoge Raad van 4 februari 2022 (zie hiervoor, 2.7).
onderdeel 1.ete bespreken. Het subonderdeel komt op tegen rov. 5.5 en 5.6 van de bestreden beschikking en neemt met juistheid tot uitgangspunt dat de rechtbank daar heeft geoordeeld dat (ten tijde van de beslissing van 11 maart 2022) sprake was van gevaar voor anderen als bedoeld in art. 8:9 lid Pro 4, onder b, Wvggz en dat dit volgens art. 2:1 lid 6 Wvggz Pro betekent dat de wensen en voorkeuren van betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg niet hoefden te worden gehonoreerd. Geklaagd wordt echter dat deze oordelen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt allereerst dat de enkele omstandigheid dat in de gegeven situatie ten tijde van de beslissing tot verplichte zorg sprake was van gevaar voor anderen, volgens art. 1:5 lid Pro 1, art. 2:1 lid Pro 6, onder b, en art. 8:9 lid Pro 4, onder b, Wvggz niet (zonder meer) meebrengt dat de zorgverantwoordelijke niet meer hoefde te bezien of betrokkene, beoordeeld naar de gezondheidstoestand op dat moment, in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de beoogde verplichte zorg (dwangmedicatie). Het subonderdeel stelt verder dat de in de rov. 5.3-5.5 genoemde omstandigheden, die worden vermeld in de beslissing van de toenmalig zorgverantwoordelijke van 11 maart 2022, niet afzonderlijk en evenmin in onderlinge samenhang bezien, de conclusie kunnen wettigen dat sprake is van de in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz en art. 8:9 lid Pro 4, onder b, Wvggz bedoelde uitzonderlijke situaties. Aldus heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er in de gegeven omstandigheden “
een aanzienlijk risico op ernstig nadeel voor anderen” bestond, aldus de klacht.
summier is”. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat gedurende de behandeling van het klaagschrift bij de klachtencommissie en de mondelinge behandeling bij de rechtbank toereikend is toegelicht dat betrokkene ten tijde dat de beslissing van 11 maart 2022 werd genomen “
niet in staat was tot een behoorlijke waardering van zijn belangen ter zake van de (medicamenteuze) behandeling en de beperking in de bewegingsvrijheid”. De rechtbank heeft vervolgens in rov. 5.5 geoordeeld dat “
voldoende is toegelicht dat er een aanzienlijk risico op ernstig nadeel is voor anderen als (medicamenteuze) behandeling uitblijft.” Daarbij is verwezen naar het grensoverschrijdende gedrag van betrokkene in de kliniek, richting medewerkers van het FACT team en naar anderen in de omgeving van betrokkene, waaronder zijn buren. Eerder, in rov. 5.4, heeft de rechtbank overwogen dat in de beslissing van 11 maart 2022 staat beschreven dat “
de regelmatig oplopende spanningen tegen de achtergrond van een schizofreen ziektebeeld bij betrokkene zich uiten in agitatie, dreigende taal en soms seksueel zeer grensoverschrijdende appjes gericht aan secretariaatsmedewerkers, en dat betrokkene zich wel eens heeft laten ontvallen dit volkomen legitiem te vinden.”
de motivering in het uitvoeringsbesluit met betrekking tot de vraag of verzoeker tot een redelijke waardering van zijn belang ter zake in staat was op het moment dat verplichte zorg op grond van een zorgmachtiging werd toegepast, summier is”. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de door de rechtbank in rov. 5.3 en 5.4 weergegeven inhoud van de beslissing van de zorgverantwoordelijke (door de rechtbank aangeduid als ‘uitvoeringsbesluit’). Het subonderdeel stelt dat de zorgverantwoordelijke in de onderbouwing van zijn beslissing alleen de vraag stelde of betrokkene in staat was tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de in de beslissing aangekruiste vier vormen van verplichte zorg, maar dat hij deze vraag onbeantwoord heeft gelaten. [28] De inhoud van de gegeven onderbouwing, onder het kopje ‘Voorbereiding beslissing’, laat volgens het subonderdeel daarom geen andere lezing toe dan dat enige motivering met betrekking tot de wilsbekwaamheid van betrokkene ten tijde van het nemen van de beslissing
ontbreekt. De gegeven onderbouwing wettigt volgens het onderdeel niet de conclusie dat genoemde beslissing met betrekking tot de wilsbekwaamheid van betrokkene ‘summier’ is gemotiveerd.
Betrokkene is in eerste instantie vrijwillig opgenomen [en] was akkoord gegaan om medicatie in te nemen. Echter geeft betrokkene bij opname [aan] dat hij niet van plan is om antipsychoticum in te nemen. Hij vindt zichzelf niet psychotisch en daarom wil hij geen medicatie”. Uit deze passage, en met name de laatste zin, kan naar mijn mening genoegzaam worden afgeleid dat de zorgverantwoordelijke van oordeel was dat betrokkene op dat moment niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake ‘toediening van medicatie’ in staat was. De zorgverantwoordelijke heeft dit standpunt nadien herhaald (en nader toegelicht), zowel in de procedure bij de klachtencommissie [29] als in de procedure bij de rechtbank. Zo heeft hij onder meer ter zitting verklaard dat hij betrokkene niet wilsbekwaam acht om te beslissen over zijn medicatie (zie hiervoor, 1.12). [30] Onderdeel 1.a faalt derhalve.
verplichte zorg door dwangmedicatie” niet aan de wettelijke eisen en heeft de rechtbank de eerste klacht van betrokkene ten onrechte ongegrond verklaard. Ter toelichting stelt het middel dat het volgens de genoemde wetsbepalingen gaat “
om eenredelijkewaardering door de betrokkene van diens bij de behandeling betrokken belangen”. Gesteld wordt dat dit niet een ‘normatieve’ toets is en evenmin een kwalificatie van de mate van een bepaalde waardering van diens belangen.
Hij vindt zichzelf niet psychotisch en daarom wil hij geen medicatie”), blijkt naar mijn mening genoegzaam dat de zorgverantwoordelijke van oordeel was dat betrokkene
op dat momentniet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake de toediening van medicatie in staat was. Voor zover het middel betoogt dat de zorgverantwoordelijke in zijn beslissing had moeten verklaren “
of voor betrokkene een acuut levensgevaar dreigde” faalt het onderdeel. Blijkens de tweede alinea van de toelichting onder het kopje ‘Voorbereiding beslissing’ heeft de zorgverantwoordelijke onder ogen gezien dat hij tevens de vraag diende te beantwoorden “
of er sprake is van een van de gevaren of risico’s als vermeld in artikel 8:9 lid 4 onder Pro b Wvggz”. Dit heeft de zorgverantwoordelijke vervolgens ook gedaan.
tot een redelijke waardering van diens belangen (...)”. In rov. 5.5 hanteert de rechtbank in de eerste volzin de wettelijke term “
redelijkewaardering van zijn belang (…)” en in de tweede volzin de term “
eenbehoorlijkewaardering van zijn belangen (…)”. Uit niets blijkt dat de rechtbank met dat laatste iets anders heeft bedoeld dan de wettelijke term. Onderdeel 1.b kan derhalve evenmin tot cassatie leiden.
“(alsnog) kan worden toegelicht” door en namens de zorgverantwoordelijke, de zorgaanbieder en de geneesheer-directeur. Ter toelichting stelt het subonderdeel dat de zorgverantwoordelijke bij elke beslissing op de voet van art. 8:9 Wvggz Pro die niet strekt tot opname in een accommodatie moet onderzoeken of de betrokkene, beoordeeld naar diens gezondheidstoestand op dat moment, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake van de beoogde verplichte zorg, en, indien dit het geval is en de betrokkene zich verzet, of één of meer van de situaties in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz en art. 8:9 lid Pro 4, onder b, Wvggz zich voordoet. Volgens de wet is het aldus alleen de zorgverantwoordelijke die bij uitvoering van een zorgmachtiging ten tijde van diens beslissing tot de gewenste verplichte zorg de wilsbekwaamheid van de betrokkene moet onderzoeken en terzake moet verklaren (art. 1:5 lid 1 Wvggz Pro). Op grond van art. 8:9 lid 4 Wvggz Pro is de zorgverantwoordelijke verplicht om deze gegevens ten tijde van diens beslissing ter waarborging van de belangen van de betrokkene vast te leggen. [31] Volgens het middel staan de tekst van genoemde wetsbepalingen en de bedoeling van de wetgever eraan in de weg, dat per toepassing van verplichte zorg
achterafkan worden bezien en verklaard of de betrokkene wilsonbekwaam is, in aanmerking genomen dat de honorering van wilsbekwaam verzet geldt gedurende de hele procedure voor alle vormen van verplichte zorg. [32] Voor zover de motivering in een beslissing op grond van art. 8:9 Wvggz Pro achteraf tijdens de behandeling in een klachtprocedure bij de klachtencommissie en/of in een beroepsprocedure bij de rechtbank “
kan worden aangevuld (hersteld)”, heeft volgens het subonderdeel te gelden dat ook zo’n medisch onderzoek achteraf niet door de betreffende zorgverantwoordelijke of door een andere bij de uitvoering van de verplichte zorg onder de zorgmachtiging betrokken psychiater mag plaatsvinden, maar dat door de klachtencommissie of door de rechtbank een verklaring moet worden gevraagd van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog, waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, waartoe de procedure zo nodig moet worden aangehouden. [33]
op dat momentniet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake de aangekruiste vormen van verplichte zorg in staat was, en in elk geval niet wat betreft de toediening van medicatie. Het oordeel van de rechtbank dat de motivering in genoemde beslissing op dat punt “summier” is kan, zo bleek hiervoor, in stand blijven. Daarvan uitgaande stond het de rechtbank vrij om haar oordeel dat betrokkene ten tijde van de beslissing van 11 maart 2022 op grond van art. 8:9 Wvggz Pro niet in staat was tot een behoorlijke waardering van zijn belangen ter zake van de (medicamenteuze) behandeling en de beperking in de bewegingsvrijheid, mede te doen steunen op in elk geval de
aanvullendetoelichting die de (inmiddels toenmalige) zorgverantwoordelijke ter zitting bij de rechtbank heeft gegeven.
afgiftevan een zorgmachtiging. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat, indien in de medische verklaring niet is gerapporteerd over de vraag of de betrokkene wilsbekwaam is in zijn bezwaar tegen de voorgestelde verplichte zorg, de rechter een verklaring dient te vragen van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, en dat de procedure zo nodig daartoe dient te worden aangehouden. De onderhavige klachtprocedure ziet echter op een andere situatie, omdat wordt opgekomen tegen een beslissing van de zorgverantwoordelijke op grond van art. 8:9 Wvggz Pro, die reeds is genomen. Van de rechter wordt derhalve verlangd dat hij een oordeel geeft over een beslissing die in het verleden is genomen (een ‘retrospectief oordeel’). Indien de zorgverantwoordelijke in zijn beslissing niet (duidelijk) een oordeel heeft gegeven over de wilsbekwaamheid van de betrokkene op dat moment dan is het naar mijn mening niet bezwaarlijk indien de betreffende zorgverantwoordelijke in de klachtprocedure zijn oordeel op dat punt (nader) uiteenzet. Indien daarentegen wordt verzocht om afgifte van een zorgmachtiging, dan moet de rechter over dat verzoek nog oordelen. Indien in die procedure door de betrokkene het verweer wordt aangevoerd dat bij hem ten aanzien van één of meer van de door de officier van justitie voorgestelde vormen van verplichte zorg sprake is van wilsbekwaam verzet, en de rapporterend psychiater daarover in de door hem afgegeven medische verklaring niets heeft vermeld, kan een onafhankelijk arts (of klinisch psycholoog) daarover alsnog een oordeel geven dat de rechter vervolgens in zijn beslissing dient te betrekken. Gelet op het voorgaande faalt onderdeel 1.c.
de enkele omstandigheiddat (achteraf toereikend is toegelicht dat) betrokkene ten tijde van de beslissing van de zorgverantwoordelijke tot verplichte zorg wilsonbekwaam was ter zake van de voorgenomen medicamenteuze behandeling”, meebrengt dat de wensen en voorkeuren van betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg niet hoefden te worden gehonoreerd. Geklaagd wordt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het subonderdeel heeft de rechtbank miskend dat ook dan met de wensen en voorkeuren van de betrokkene rekening kan (en moet) worden gehouden, en dat dit per individueel geval zal moeten worden bekeken. Het subonderdeel stelt dat volgens de bedoeling van de wetgever bij de keuze voor de verplichte zorg (dwangmedicatie) bepalend gewicht toekomt aan de ervaringen van de betrokkene met medicijnen en zijn
eigenafwegingen over nut en nadeel van bepaalde vormen van medicatie, en dat in gevallen als de onderhavige bij beoordeling van de veiligheid van voorgeschreven medicatie als verplichte zorg terughoudendheid past, omdat medicatie niet bij alle patiënten effectief blijkt en gepaard kan gaan met ernstige en langdurige bijwerkingen. [34] Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte niet afdoende (kenbaar) in haar oordeelsvorming bepalend gewicht heeft toegekend aan de door betrokkene gegeven toelichting (weergegeven in de rov. 3.2 en 4.1) dat hij vanwege door hem ervaren bijwerkingen goede redenen heeft de medicatie niet te willen innemen.
tevensten grondslag dat er een aanzienlijk risico is op ernstig nadeel voor anderen (één van de situaties onder b). Ik verwijs naar de bespreking van onderdeel 1.e hiervóór. Aan de bezwaren van betrokkene met betrekking tot de voorgeschreven medicatie kon de rechtbank reeds op die grond voorbij gaan. Voor het betoog aan het slot van het subonderdeel dat de rechtbank zich heeft aangesloten bij het in rov. 4.3 weergegeven standpunt van verweerders dat het ernstig nadeel dat met de medicamenteuze behandeling kan worden weggenomen, “
opweegt tegen de nadelen die [betrokkene] als bijwerkingen stelde te ondervinden”, is geen steun te vinden in de bestreden beschikking. De rechtbank heeft geen afweging gemaakt. Bij afwezigheid van geschikte alternatieve medicatie [35] en (in elk geval) het zich voordoen van één van de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid Pro 6, onder b, Wvggz hoefde dat ook niet. Derhalve faalt onderdeel 1.d.