Het hof zal, gelet op het vorenstaande, vaststellen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op (€ 18.828,82 + € 6.471,38) = € 25.300,20.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 januari 2020 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“[betrokkene] verklaart als volgt.
Voor de opbrengst moet gerekend worden met € 3,28 per gram. In de ontnemingszaak is echter met een hoger bedrag gerekend. Alleen daardoor wordt het te ontnemen bedrag al lager. Voorts zijn bepaalde kosten niet meegerekend. Ik doel daarbij op de huurkosten, investeringskosten en de kosten voor de knippers. Ik heb een financiële achtergrond en zie gewoon dat de berekening niet klopt.
Mr. Morra merkt op:
Cliënt wenst enkel op te merken dat de opbrengsten lager zijn geweest en dat diverse kosten niet zijn meegenomen en dat er dan uiteindelijk onder de streep niets overblijft. Cliënt geeft enkel aan dat de berekening niet klopt. Hij zegt daarmee niet dat hij bij die hennepkwekerijen betrokken is geweest. Ik zal tijdens mijn pleidooi daarop terugkomen.
(…)
De betrokkene en de raadsman voeren het woord tot verdediging, waarbij de raadsman het woord voert overeenkomstig zijn pleitnota, welke aan het hof is overgelegd en aan dit proces-verbaal is gehecht.”
8. De in het proces-verbaal genoemde pleitnota houdt, voor zover in cassatie van belang, het volgende in:
“ontneming
33. De ontnemingsvordering richt zich op exploitatie van kwekerijen, en niet op de voordeel dat zou zijn verkregen via deelneming aan een criminele organisatie. Reeds om die reden moet vrijspraak van feit 2 tot afwijzing van de vordering leiden.
34. Subsidiair: [d-straat], Almere: onbegrijpelijk waarom de rechtbank cliënt schaart onder 'de jongens uit Nijmegen' terwijl de rechtbank cliënt in diezelfde passage omschrijft als woonachtig in Amsterdam. Welke aanwijzingen de rechtbank (wel) zag om cliënt als betrokkene bij deze kwekerij aan te merken, blijkt niet. Afwijzing van dit gedeelte van de vordering.”
9. Aan het proces-verbaal is daarnaast een pagina gehecht, waarop een alternatieve berekening is gemaakt van de opbrengst van de hennepkwekerij in Almere. De alternatieve berekening vermeldt onder de kosten de posten ‘Knippers € 400 per ruimte’ en ‘Huur à € 1000 per maand’ en komt uit op een totaalbedrag van minus € 17.410,77.
10. Bij de beoordeling van de klacht dat het hof door de betrokkene gemaakte kosten ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, niet in mindering heeft gebracht op het geschatte voordeel, moet het volgende worden vooropgesteld. Op grond van art. 36e, achtste lid, Sr kan de rechter bij de bepaling van de hoogte van het verkregen voordeel kosten in mindering brengen die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten waarvoor de ontnemingsmaatregel wordt opgelegd en die redelijkerwijs voor aftrek in aanmerking komen. De wetgever heeft de rechter daarbij grote vrijheid gelaten of en, zo ja, in welke mate hij rekening wil houden met zodanige kosten. Deze beslissing van de rechter behoeft in het algemeen geen motivering. Indien echter de verdediging ter terechtzitting gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende posten het verweer voert dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, behoort de rechter op grond van art. 511e, tweede lid, Sv in verbinding met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv bij verwerping van dit verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die rechtstreeks in verband staan met het begaan van de strafbare feiten, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij geheel of gedeeltelijk voor rekening van de veroordeelde dienen te blijven.