Conclusie
1.Feiten
Ze wilt graag snel stappen zetten met de PGB aanvraag. Voorwaarde van mevrouw is dat het door een andere medewerker of wijkteam wordt opgepakt. [eiseres] heeft geen vertrouwen in [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van het wijkteam Beverwaard. (…)
Beoordeling door Veilig Thuis RR[Rotterdam Rijnmond
,A-G]
De raadsonderzoekster ( [betrokkene 5] ) heeft de eerdere melding afgehandeld. Zij heeft aangegeven dat wij, indien er geen positieve verandering gaat plaatsvinden, een aanvulling op de melding kunnen doen. Om deze vervolgens opnieuw naar Veilig Thuis [te] kunnen sturen. Er zijn zorgwekkende ontwikkelingen geweest die noodzakelijk maken dat er een nieuwe melding moet komen.
Relevante behoorlijkheidsvereisten
Voorlopig oordeel” de klacht opnieuw gegrond verklaard: [14]
2.Procesverloop
Eerste aanleg
,A-G] niet in acht heeft genomen. Uit de door de gemeente gegeven onderbouwing, het overgelegde meldingsformulier en de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de gemeente volgens de voorgeschreven stappen heeft gehandeld. Zo is voldoende gebleken dat de signalen in kaart zijn gebracht. Vervolgens heeft interne consultatie plaatsgevonden binnen het wijkteam, met de tactisch manager en de rayonmanager. Ook blijkt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie dat voordat tot melding is overgegaan de situatie eerst met Veilig Thuis is besproken. In overleg met Veilig Thuis is uiteindelijk besloten tot het doen van de melding. Ook heeft het wijkteam de situatie en het voornemen tot melding bij Veilig Thuis besproken met [eiseres] . Tot slot is voldoende gebleken dat de gemeente de vereiste afweging heeft gemaakt en dat zelf hulp organiseren niet (meer) mogelijk was. Voor zover [eiseres] heeft bedoeld te stellen dat de gemeente minder ingrijpende middelen tot haar beschikking had om te bereiken dat [de zoon] alsnog de benodigde zorg zou krijgen (evenredigheid), heeft zij dat niet uitgewerkt of toegelicht. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de gang van zaken dat de gemeente niet over één nacht ijs is gegaan en dat de benodigde zorgvuldigheid in acht is genomen. Ten aanzien van de tweede maal dat het wijkteam Veilig Thuis heeft ingeschakeld meent de kantonrechter echter dat zorgvuldiger had kunnen (en moeten) worden gehandeld nu de tweede melding niet tevoren met [eiseres] is besproken. Deze omissie betekent echter niet dat de gemeente daardoor onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld en op die grond schadeplichtig zou zijn.
Stb. 2013, 324; hierna: het Besluit) een stappenplan bevatten met ten minste de volgende stappen:
a. het in kaart brengen van de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling;
of een deskundige op het gebied van letselduiding;
Stap 2: Collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het[AMHK]
worden geraadpleegd.
(…) .”
1(…)
Aan ieder Wijkteam is minstens één HG deskundige[huiselijkgewelddeskundige, A-G]
gekoppeld. (...)
Het collegiale overleg met betrekking tot een HG zaak[huiselijkgeweldzaak, A-G]
, heeft altijd plaats met een H deskundige[kennelijk: huiselijkgewelddeskundige, A-G]
. Met hem of haar wordt besproken: (...)
Bij het eerste gesprek met de cliënt worden de zorgen en signalen met de cliënt of de ouders van de cliënt besproken. (...)
Besproken wordt dat het doel is om elke vorm van geweld of mishandeling (...) te stoppen. (...).”
om te komen tot afspraken voor het organiseren/aanvragen van PMT voor [de zoon]. Toen dit doel niet werd bereikt, is [eiseres] meteen met een voldongen feit geconfronteerd, waarbij [betrokkene 1] [eiseres] op de hoogte heeft gebracht dat hij Veilig Thuis gaat vragen om te onderzoeken wat nodig is voor haar en haar gezin. Enige vorm van overleg hierover, dan wel enige poging om de instemming van [eiseres] te krijgen voor deze melding, blijkt hier niet uit. Aan de latere aanvullende melding van 23 juni 2017 (zie r.o. 14) is kennelijk in het geheel geen gesprek, zoals hiervoor bedoeld, voorafgegaan.
De schadevordering
3.Beoordeling van het middel in het principaal cassatieberoep
Inleiding
feitenmoeten worden gesteld, brengt mee dat een stelling voldoende concreet moet zijn. Dat zorgt ervoor dat de wederpartij zinvol op die stelling kan reageren – door het gestelde feit (gemotiveerd) te ontkennen (of te erkennen) – en de rechter een oordeel kan vormen over wat er feitelijk is gebeurd. [20] De enkele bewering dat aan een bepaalde voorwaarde voor het intreden van het rechtsgevolg is voldaan, volstaat in het algemeen niet omdat die bewering geen concrete feiten behelst. De hier genoemde eisen van kenbaarheid en concreetheid kunnen worden begrepen als minimumeisen. In dit verband wordt in de praktijk ook wel gesproken over de eisen te stellen aan een ‘initiële stelling’, waarmee wordt uitgedrukt dat het partijdebat aanleiding kan geven voor nadere uitwerking, ook wel motivering, van die stelling. [21] De vereiste concreetheid van een ‘initiële stelling’ kent wel grenzen [22] – afhankelijk van het vraagstuk dat in geding is – mede omdat het debat (doorgaans) nog vorm moet (kunnen) krijgen. De aard van het rechtsgevolg en de daarvoor te vervullen voorwaarde(n) kunnen meebrengen dat hogere eisen gelden voor wat betreft die concreetheid. [23]
(4)de geleden schade vloeit voort uit de onrechtmatige handeling van de gemeente, waarmee het causaliteitscriterium is gegeven;”
inbreuk op de rechtsnorm door de laedens” vaststelt – het causale verband tussen normschending en de geleden schade als vaststaand moet worden aangenomen, tenzij – in de woorden van het onderdeel – “
de laedens stelt, aannemelijk maakt, en zo nodig bewijst, dat het causale verband toch ontbreekt”. Volgens [eiseres] heeft het hof dat onderzoek ten onrechte niet verricht, wat kan worden afgeleid uit het gegeven dat het heeft geoordeeld dat op grond van art. 150 Rv Pro de bewijslast van het causale verband op [eiseres] rust. Als het hof dat onderzoek wel heeft verricht, is zijn oordeel volgens [eiseres] onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd.
nietgeoordeeld dat de onrechtmatige gedraging van de Gemeente bestaat uit een inbreuk op art. 8 EVRM Pro. Integendeel, die grondslag is in eerste aanleg verworpen en het hof heeft tegen die verwerping kennelijk geen grieven aanwezig geacht. [28] Op dat punt heeft [eiseres] in cassatie niet geklaagd. Het onderdeel stuit al daarop af voor zover het een inbreuk op art. 8 EVRM Pro tot uitgangspunt neemt. Andere relevante aanknopingspunten die [eiseres] in feitelijke instanties heeft voorgelegd en die door het hof in het bedoelde onderzoek hadden moeten worden betrokken, heeft zij in cassatie niet naar voren gebracht. [29]
4.Beoordeling van het middel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
Grief 3:” zijn twee zinnen aan te treffen die beginnen met “
Ten onrechte(…)”. De eerste, onmiddellijk onder het kopje, heeft betrekking op het oordeel van de kantonrechter in rov. 5.10 van het vonnis dat – kort gezegd – een melding gerechtvaardigd was in het licht van de betekenis van ‘kindermishandeling’. In dat verband heeft [eiseres] onder andere aangevoerd: “
Het mag zo zijn dat dat iemand zich zorgen maakt over een bepaalde situatie, doch de gemeente diskwalificeert zich als deskundige door deze situatie (tot twee maal toe) te hebben geëtiketteerd als “kindermishandeling”(…)
. Daar zit het “scharnierpunt” tussen rechtmatig en onrechtmatig handelen zijdens de gemeente.” [33] De tweede ‘ten onrechte’ volgt onmiddellijk daarop en luidt als volgt: “
Ten onrechte heeft de kantonrechter dan ook in overweging 5.12 overwogen: “uit de door de gemeente gegeven onderbouwing, het overgelegde meldingsformulier en de overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de gemeente volgens de voorgeschreven stappen heeft gehandeld(…)” (onderstreping door mij, A-G). [34] Verderop vangt de volgende passage aan: “
Voorts wenst [eiseres] te benadrukken dat de gemeente ( [betrokkene 1] ) de melding niet met [eiseres] heeft besproken. [betrokkene 1] heeft alleen aangekondigd dat hij een melding bij Veilig Thuis ging doen indien [eiseres] niet zou accepteren met het wijkteam verder te gaan.” [35]
blijkens haar grieven[klaagt]
dat de stappen 2 en 3 van de Meldcode niet in acht zijn genomen.”
scharnierpunt” en uit de onderstreepte woorden “
dan ook” (in onderlinge samenhang) moet worden afgeleid dat de tweede ‘ten onrechte’ uitsluitend moet worden begrepen tegen de achtergrond van de opmerkingen die daaraan voorafgaan. Nu die voorafgaande opmerkingen geen betrekking hebben op ‘stap 3’, kon het hof hier niet binnen de grenzen van de rechtsstrijd (althans de begrijpelijkheid) een grief met betrekking tot die ‘stap 3’ lezen, zo bepleit het onderdeel.
Voorts wenst(…)
verder te gaan.” Het hof mocht één en ander zo begrijpen dat [eiseres] een grief wilde richten tegen het oordeel van de kantonrechter dat door de Gemeente niet onrechtmatig is gehandeld door het niet (toereikend) volgen van stap 3. [37]