Uitspraak
gevestigd te [vestigingsplaats],
wonende te [woonplaats],
hierna: [eiser 3],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
17 juli 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een vordering tot schadevergoeding wegens beroepsfout van advocaten die nalieten tijdig een procedure te starten tegen een onderhuurder die verantwoordelijk was voor brand in een pand van de verweerster. De brand veroorzaakte aanzienlijke schade, waaronder sloop- en herbouwkosten en gederfde huurinkomsten.
De rechtbank wees de vordering af omdat de procedure tegen de onderhuurder volgens haar geen kans van slagen had. Het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat de advocaten toerekenbaar tekortgeschoten waren door de verjaring van de vordering, waardoor de verweerster schade leed die op de advocaten verhaald kon worden.
In cassatie klaagden de advocaten dat het hof ten onrechte de bewijslast inzake de verhaalbaarheid van de schade op hen legde en te hoge eisen stelde aan de stelplicht bij de schadebeperkingsplicht. De Hoge Raad oordeelde dat het hof een onjuiste rechtsopvatting had door dit betoog als zelfstandig verweer te beschouwen en de bewijslast verkeerd te verdelen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. Tevens werd de verweerster veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
De uitspraak benadrukt de juiste verdeling van stelplicht en bewijslast bij beroepsaansprakelijkheid en het belang van een juiste beoordeling van de schadebeperkingsplicht.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling.