ECLI:NL:HR:2022:238

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2022
Publicatiedatum
17 februari 2022
Zaaknummer
20/02471
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6:162 BW
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing aansprakelijkheid gemeente wegens nalaten zorgmelding

In deze zaak vordert eiseres schadevergoeding van de gemeente Rotterdam wegens het nalaten van het voeren van noodzakelijke gesprekken in het kader van een zorgmelding bij Veilig Thuis, waarbij sprake zou zijn van onthouden benodigde zorg aan een kind. Het hof had geoordeeld dat de gemeente onzorgvuldig had gehandeld, maar dat er geen causaal verband bestond tussen dit nalaten en de geleden schade.

Eiseres stelde cassatieberoep in tegen dit arrest, terwijl de gemeente voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. De Hoge Raad heeft het principale beroep van eiseres verworpen en het incidentele beroep van de gemeente niet behandeld omdat het principale beroep geen aanleiding gaf tot vernietiging van het arrest.

De Hoge Raad motiveert niet uitvoerig, omdat de klachten niet leiden tot beantwoording van rechtsvragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Tevens veroordeelt de Hoge Raad eiseres in de kosten van het geding.

Deze uitspraak bevestigt dat nalatigheid van een gemeente in het kader van een zorgmelding niet automatisch leidt tot aansprakelijkheid zonder aantoonbaar causaal verband met de schade.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gemeente wordt niet aansprakelijk gesteld wegens ontbreken van causaal verband.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/02471
Datum18 februari 2022
ARREST
In de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres],
advocaat: R.K. van der Brugge,
tegen
GEMEENTE ROTTERDAM,
zetelende te Rotterdam,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: de Gemeente,
advocaat: K. Teuben.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak 6553236 / CV EXPL 17-44366 van de kantonrechter te Rotterdam van 7 september 2018;
het arrest in de zaak 200.251.377/01 van het gerechtshof Den Haag van 12 mei 2020.
[eiseres] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De Gemeente heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
18 februari 2022.