Conclusie
eerstemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het verweer dat de betrokkene eerder in 2007 is veroordeeld terwijl te dier zake geen ontnemingsprocedure is gevoerd, en dat het niet mogelijk is het door die strafbare feiten beweerdelijk genoten voordeel als in de onderhavige zaak uit ‘soortgelijke feiten’ voortvloeiend voordeel te ontnemen.
1. Het onderliggende vonnis.
2. De methode van berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel
3. De berekening
€ 56.953,-(€ 3.315,- + € 4.368,- + € 23.950,- + € 8000,- + € 16.344,- en € 976,-) aan bouwmaterialen is uitgegeven. Deze bedragen zijn contant door [betrokkene] en [medeverdachte] voldaan.
€ 207.236,63bedraagt. Dit is het bedrag dat niet kan worden verantwoord uit legale inkomstenbronnen.
€ 27.241,40aan voeding hebben uitgegeven. De rechtbank neemt deze berekening, mede nu daarop geen verweer is gevoerd, over.
€ 207.236,63met het hiervoor bedoelde bedrag van
€ 27.241,40worden verhoogd, waardoor de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [medeverdachte] en [betrokkene] gezamenlijk wordt geschat op
€ 234,478,03. Het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt voor [betrokkene] aldus berekend op (€ 234.478,03 : 2 =)
€ 117.239,-.
4. de eventuele matiging van het bedrag.
Soortgelijke feiten.
NJ2006/626 geoordeeld over de toepassing van art. 36e, derde lid, Sr ingeval een deel van het voordeel uit eerdere berechte strafbare feiten is verkregen. Uit de overwegingen van het hof, die in de conclusie van A-G Jörg geciteerd zijn (randnummer 6), blijkt dat in de betreffende zaak het verweer is gevoerd dat fl. 400.000,- verkregen zou zijn uit een zaak waarvoor de betrokkene eerder door de rechtbank te Breda was veroordeeld. Het hof overwoog dat het enkele feit dat in de Bredase zaak geen ontnemingsvordering was ingesteld niet in de weg stond aan het betrekken van het in dat kader genoten voordeel bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof stelde vast wegens welke feiten het hof de betrokkene bij arrest van 16 oktober 2003 tot vier jaren en zes maanden gevangenisstraf had veroordeeld. En gaf vervolgens aan tevens ‘in aanmerking’ te hebben genomen dat en wegens welke feiten de veroordeelde bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Breda van 29 juni 1998 tot drie jaar gevangenisstraf was veroordeeld. Bij de schatting van de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel ging het hof uit van de ‘methode van vermogensvergelijking’. Het hof overwoog tenslotte (naar ik begrijp, ter onderbouwing van de vaststelling van wederrechtelijk verkregen voordeel) dat de betrokkene had verklaard fl. 400.000,- te hebben ontvangen ‘voor zijn betrokkenheid bij strafbare feiten in het kader van de Bredase zaak’.
tweedemiddel bevat de klacht dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie, geschonden is.