ECLI:NL:HR:2005:AT3654
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Beperking termijn voor ontnemingsvordering bij andere strafbare feiten
In deze zaak stond centraal de vraag of een ontnemingsvordering kan worden ingesteld op basis van andere strafbare feiten die reeds bij een eerdere veroordeling aan de orde waren, maar waarvoor geen ontnemingsvordering was ingesteld binnen de wettelijke termijn van twee jaar na uitspraak in eerste aanleg.
De betrokkene was veroordeeld door de Rechtbank te Breda in 1998 en later door de Rechtbank te Zutphen in 2001. Het Hof had in hoger beroep het wederrechtelijk verkregen voordeel ook geschat op basis van de feiten uit de eerdere veroordeling, ondanks dat toen geen ontnemingsvordering was ingesteld. De betrokkene stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard voor dat deel van de vordering.
De Hoge Raad stelde vast dat op grond van artikel 36e Sr juncto artikel 511b Sv een ontnemingsvordering binnen twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg moet worden ingesteld. Het is niet verenigbaar dat feiten waarvoor binnen die termijn geen vordering is ingesteld, alsnog als 'andere strafbare feiten' kunnen worden betrokken bij een latere ontnemingsvordering. Het oordeel van het Hof was daarom onjuist en het arrest werd vernietigd en verwezen naar het Gerechtshof Arnhem voor hernieuwde berechting.
Deze uitspraak verduidelijkt de strikte termijn waarbinnen ontnemingsvorderingen moeten worden ingesteld en verhindert dat oude feiten alsnog via latere veroordelingen worden betrokken bij ontnemingsprocedures.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug vanwege het niet tijdig instellen van de ontnemingsvordering.