Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
1 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2019 over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Betrokkene werd vertegenwoordigd door een advocaat die cassatiemiddelen indiende. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.
De Hoge Raad beoordeelde de klachten en concludeerde dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Het hof had de ontnemingsvordering terecht toegewezen. De Hoge Raad zag geen noodzaak tot nadere motivering omdat de klachten geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling bevatten.
Een tweede cassatiemiddel betrof de overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase, doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De Hoge Raad erkende deze overschrijding, maar stelde dat dit geen gevolgen heeft in deze ontnemingszaak omdat de compensatie daarvoor zal worden toegepast in een samenhangende strafzaak die eveneens in cassatie is.
De Hoge Raad besloot daarom het beroep te verwerpen en bevestigde het arrest van het gerechtshof. Het arrest werd uitgesproken op 1 december 2020 door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.