ECLI:NL:PHR:2021:657
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het begrip invordering van het rijbewijs in de Wegenverkeerswet 1994
In deze zaak staat centraal de uitleg van het begrip 'invordering' in artikel 164 lid 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De rechtbank Gelderland had geoordeeld dat onder invordering de vordering tot overgifte van het rijbewijs moet worden verstaan, ongeacht of het rijbewijs feitelijk is overhandigd. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad betoogde dat dit onjuist is en dat invordering pas aanvangt bij daadwerkelijke inlevering van het rijbewijs.
De feiten betreffen een bestuurder die op 11 november 2020 werd bevolen haar rijbewijs af te geven, maar dit pas op 17 november 2020 daadwerkelijk inleverde. De officier van justitie besloot op 27 november 2020 tot inhouding van het rijbewijs. De bestuurder maakte bezwaar tegen de inhouding, stellende dat de beslissing niet tijdig was genomen volgens de wettelijke termijn van tien dagen na invordering.
De Hoge Raad analyseert de tekst van de wet, de parlementaire geschiedenis en de wetssystematiek. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat invordering pas plaatsvindt wanneer het rijbewijs feitelijk in handen is gekomen van de politie of het openbaar ministerie. Dit is ook nodig om de bevoegdheid van de officier van justitie tot inhouding en teruggave uit te oefenen. De termijn van tien dagen voor de beslissing begint derhalve te lopen vanaf de feitelijke inlevering, niet vanaf de vordering tot overgifte.
De Hoge Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. Hiermee wordt bevestigd dat de rechtsbescherming van de bestuurder wordt gewaarborgd en dat de wettelijke regeling van invordering en inhouding van rijbewijzen correct wordt toegepast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het oordeel van de rechtbank en bepaalt dat invordering pas aanvangt bij feitelijke inlevering van het rijbewijs.