Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Wettelijk kader
4.Slotsom
5.Beslissing
13 oktober 2015.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift over de teruggave van een buitenlands rijbewijs dat was ingevorderd en ingehouden na een verdenking van een ernstige verkeersovertreding in Nederland. De rechtbank had geoordeeld dat het rijbewijs aan de houder moest worden teruggegeven omdat deze in het buitenland woonachtig is.
De Hoge Raad stelt dat buitenlandse rijbewijzen kunnen worden ingevorderd en ingehouden ongeacht de woonplaats van de houder. De uitzondering in artikel 180 lid 8 WVW Pro 1994, die bepaalt dat de verplichting tot inlevering van het rijbewijs niet geldt voor houders die niet in Nederland wonen, geldt alleen voor de ontzegging van de rijbevoegdheid en niet voor de inhouding direct na aanhouding.
De Hoge Raad benadrukt dat de huidige regelgeving leidt tot een ongewenste situatie waarin in het buitenland wonende bestuurders hun rijbewijs terugkrijgen terwijl hun rijbevoegdheid in Nederland feitelijk wordt beperkt. Europese regelgeving en internationale overeenkomsten bieden nog geen oplossing. Daarom vernietigt de Hoge Raad de beschikking en verwijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug voor herbehandeling.