Conclusie
A&E) heeft op basis van een overeenkomst werkzaamheden verricht voor het consulaat-generaal van verweerster in cassatie (hierna:
de Republiek). Partijen hebben onderhandeld over een herziening van de tussen hen gesloten overeenkomst. In cassatie gaat het om de vraag of de consul-generaal van de Republiek een door A&E gedaan aanbod tot herziening van de overeenkomst heeft aanvaard. Volgens het hof heeft A&E op dit punt haar stellingen onvoldoende onderbouwd en geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Tegen deze oordelen is het cassatiemiddel gericht.
1.Feiten en procesverloop
de overeenkomst van 28 november 2013). [2] Volgens deze overeenkomst zal A&E de volgende diensten voor het consulaat-generaal verrichten: (i) ‘cafetaria- en restaurantdiensten’ voor een maandelijkse vergoeding van € 1.800,- en (ii) vertaaldiensten voor een maandelijkse vergoeding van € 1.200,-.
het aanbod van 3 juni 2014). [5]
de factuur van 15 juli 2015). [7] Bij brief van diezelfde datum aan het consulaat-generaal heeft A&E toegelicht dat het gefactureerde bedrag correspondeert met het verschil tussen de maandelijkse vergoeding voor cafetaria- en restaurantdiensten van € 1.800,- volgens de overeenkomst van 28 november 2013 en de maandelijkse vergoeding voor consultancydiensten van € 5.000,- volgens het aanbod van 3 juni 2014, over een periode van 13 maanden (van 3 juni 2014 tot 3 juli 2015). [8] Deze factuur is niet door het consulaat-generaal betaald.
Allereerst is de rechtbank ingegaan op de door A&E gestelde
mondelinge aanvaardingvan het aanbod van 3 juni 2014 (hierna ook: de
primaire grondslag). Deze is volgens de rechtbank niet komen vast te staan, nu de aanvaarding is betwist en niet volgt uit de in het geding gebrachte stukken, terwijl A&E op dit punt ook geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan (rov. 3.14).
Vervolgens heeft de rechtbank een ambtshalve bijgebrachte grondslag besproken: gerechtvaardigd vertrouwen op het ontstaan van een herziene overeenkomst op grond van de door A&E ná het aanbod van 3 juni 2014 in opdracht van het consulaat-generaal verrichte
werkzaamheden(hierna ook: de
subsidiaire grondslag). Volgens de rechtbank moet het, op grond van het aanbod van 3 juni 2014, voor de Republiek duidelijk zijn geweest dat de daarin omschreven werkzaamheden niet vielen onder de reeds bestaande overeenkomst en dat A&E alleen bereid was ook deze werkzaamheden te verrichten, indien de Republiek bereid was daarvoor meer te betalen dan de bedragen genoemd in de overeenkomst van 28 november 2013. Voor zover de Republiek A&E heeft opgedragen ook deze werkzaamheden te verrichten, mocht A&E erop vertrouwen dat ten aanzien van deze werkzaamheden een overeenkomst met de Republiek was ontstaan, en dat de Republiek voor deze werkzaamheden een redelijke vergoeding was verschuldigd (rov. 3.15).
Volgens de rechtbank heeft A&E in een periode van 13 maanden na haar aanbod van 3 juni 2014 werkzaamheden verricht die vallen onder de omschrijving in het aanbod. Voor deze werkzaamheden is de Republiek alsnog een redelijke vergoeding verschuldigd (rov. 2.9). De door A&E gefactureerde vergoeding van € 41.600,- (op basis van 80 uren per maand tegen een uurtarief van € 40,-) heeft de rechtbank als redelijk aangemerkt (rov. 2.10).
In een overweging ten overvloede is de rechtbank ingegaan op het door A&E gedane bewijsaanbod ter zake van de gestelde mondelinge aanvaarding (zoals gememoreerd in de akte na tussenvonnis). Volgens de rechtbank is dat bewijsaanbod in rov. 3.14 van het tussenvonnis ten onrechte als onvoldoende gespecificeerd aangemerkt. A&E heeft echter geen belang meer bij herstel hiervan (rov. 2.13).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
primairegrondslag van de vorderingen aan de orde: de gestelde mondelinge aanvaarding van het aanbod van 3 juni 2014 (
onderdeel 1) en het desbetreffende bewijsaanbod (
onderdeel 2).
In cassatie staat als onbestreden vast dat A&E niet op grond van de door haar verrichte werkzaamheden erop mocht vertrouwen dat een nieuwe overeenkomst met de Republiek was ontstaan. [24] Verder dient in cassatie, bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag, tot uitgangspunt dat de consul-generaal bevoegd was om namens de Republiek een overeenkomst aan te gaan met A&E, zoals A&E heeft aangevoerd [25] en het hof uitdrukkelijk in het midden heeft gelaten. [26]
randnummers 2-5), [27] dat dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk is in het licht van een vijftal door A&E aangevoerde feiten en omstandigheden, die volgens het onderdeel in cassatie tot hypothetisch feitelijk uitgangspunt dienen (
randnummer 6). [28] Het gaat om (i) de omstandigheid dat aan het definitieve aanbod van 3 juni 2014 drie offertes zijn voorafgegaan, (ii) dat deze offertes veranderingen vertoonden, (iii) dat onder meer de prijsstelling in de offertes veranderde, (iv) dat mede naar aanleiding van de handgeschreven aantekeningen van de consul-generaal op de offerte van 19 mei 2014 het definitieve aanbod van 3 juni 2014 aan de consul-generaal is verzonden en (v) dat de consul-generaal hierop bij e-mail van 3 juni 2014 [29] heeft gereageerd met de woorden: ‘
(…) ik ben je zeer dankbaar voor de ontvangen e-mails ter ondersteuning van het voorstel, welke ik net heb verstuurd naar de secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Laten we hopen dat hij positief zal reageren.’ Volgens A&E had het hof niet zonder nadere motivering voorbij mogen gaan aan deze gestelde feiten en omstandigheden, omdat A&E daaruit kon en mocht afleiden dat op 3 juni 2014 tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen (
randnummer 7).
doorgezondennaar het ministerie van Buitenlandse Zaken en spreekt slechts de
hoopuit dat het zal worden goedgekeurd. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat de consul-generaal zelf geen beslissing heeft genomen over het aanbod. Hij deed slechts de toezegging het te zullen doorsturen naar de volgens hem bevoegde autoriteit. Ook als goedkeuring door het ministerie achteraf gezien niet nodig was geweest, zoals in cassatie tot uitgangspunt kan dienen (alinea 2.1), volgt daaruit niet dat het aanbod op 3 juni 2014 reeds is aanvaard of dat A&E daarop mocht vertrouwen. Van belang is dat A&E ook volgens haar eigen stellingen tot medio 2015 aannam dat goedkeuring was vereist, reden waarom zij bleef factureren op basis van de overeenkomst van 28 november 2013. Zij stelt, met de kennis van nu, ‘aan het lijntje’ te zijn gehouden door de consul-generaal. [34] Wat hiervan zij (het cassatiemiddel staat niet in die sleutel), hieruit volgt niet dat de overeenkomst reeds op 3 juni 2014 tot stand is gekomen. Veeleer blijkt hieruit dat A&E tot medio 2015 (nog) niet het daadwerkelijke vertrouwen had dat haar aanbod door of namens de Republiek was aanvaard.
randnummer 11). [35] Zij acht het passeren ervan in strijd met vaste rechtspraak van de Hoge Raad (
randnummers 12-13). Daartoe worden drie argumenten aangevoerd. In de eerste plaats wordt (wederom) verwezen naar de stellingen die A&E heeft ingenomen met betrekking tot het verloop van de onderhandelingen, de in dat kader opgestelde offertes en de reactie op het aanbod van 3 juni 2014 bij e-mail van de consul-generaal van diezelfde datum. [36] Met deze stellingen heeft A&E naar eigen zeggen de te bewijzen aangeboden aanvaarding voldoende onderbouwd. Het hof zou zich schuldig hebben gemaakt aan een verboden prognose van de resultaten van het getuigenverhoor (
randnummer 14). Ten tweede wordt geklaagd dat het hof een te strenge maatstaf heeft aangelegd, althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, door het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd te achten op de grond dat A&E niet heeft gesteld op welke wijze en ten overstaan van wie de beweerde ‘verbale confirmatie’ is uitgesproken (
randnummer 15). Ten slotte wordt aangevoerd dat de Republiek in hoger beroep niet heeft gegriefd tegen rov. 2.13 van het eindvonnis, waarin de rechtbank uitdrukkelijk is teruggekomen van haar eerdere oordeel dat het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd was (
randnummer 16).
stelplicht, zodat reeds daarom niet aan bewijslevering wordt toegekomen. De stelplicht mag echter niet oneigenlijk worden opgerekt om een specifiek en ter zake dienend bewijsaanbod te passeren. [39] Met name mag van een partij die aanbiedt haar stellingen te bewijzen, niet worden gevergd dat zij op voorhand haar stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt. [40]
hoopuitsprak dat het aanbod zou worden goedgekeurd). Het hof heeft dus kunnen oordelen dat, bij gebreke van concrete(re) stellingen over de vraag ‘op welke wijze en ten overstaan van wie’ het aanbod is aanvaard, aan bewijslevering ter zake niet wordt toegekomen.