Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
3.Het middel
op 26 maart 2015sprake is geweest van het daadwerkelijk vervaardigen van amfetamine en de verdachte ten behoeve van die productie werkzaamheden heeft verricht.
op26 maart 2015 amfetamine is geproduceerd. [2] Daarvoor blijven mijns inziens te veel vragen over het gebruik van de stoomgenerator onbeantwoord. Zo wordt verwezen naar het gebruik van de ‘zogenaamde Leukartmethode’ maar wat deze methode inhoudt blijkt niet uit de gebezigde bewijsmiddelen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet worden opgemaakt hoe warm de stoomgenerator is als deze in werking is, hoelang het duurt voordat de stoomgenerator is opgewarmd of hoelang het duurt voordat deze weer is afgekoeld. Dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat in de broekzak van medeverdachte [medeverdachte 5] een briefje is aangetroffen waarop is beschreven: “
stomen 80 of 85 liter. 140 graden brengen. Stoompin erin en op 155 houden tot aan einde. Stoomvat op 4 bar laten”,maakt dat niet anders. Ook hieruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat er daadwerkelijk is geproduceerd op 26 maart 2015. Ik voeg daar nog aan toe dat de vastgestelde temperatuur bovendien de mogelijkheid openlaat dat de stoomgenerator is aangezet om op te warmen en is uitgezet toen de verdachten om 16:20 uur op 26 maart 2015 inderhaast de woning hebben verlaten. Gelet op het moment van binnentreden van de woning op 26 maart 2015 om 21:35 uur lijkt het bovendien onwaarschijnlijk dat tussen het verlaten van de woning en het moment van binnentreden, amfetamine is geproduceerd.
op26 maart 2015 werkzaamheden zijn verricht ten hoeve van het vervaardigen van amfetamine. Ik meen van niet. Uit de overige vaststellingen blijkt enkel dat (i) de verdachte samen met zijn medeverdachten in een bosperceel is aangehouden en dat bij de verdachten diverse goederen zijn aangetroffen waaronder zwarte latex handschoenen, een halfgelaatsmasker, een filter in een verpakking, veiligheidsbrillen en werkhandschoenen en (ii) dat in een broek aangetroffen bij de verdachte het rijbewijs van medeverdachte [medeverdachte 3] is gevonden. Het aantreffen van deze goederen sluiten de verklaring van de verdachte – dat hij die dag enkel caustic soda heeft geleverd ( een voorbereidingshandeling) – echter niet uit. [3] Met andere woorden: de bewijsvoering laat, afgezien van de vraag of er op 26 maart 2015 daadwerkelijk amfetamine is geproduceerd, daarnaast nog het scenario open dat – indien dit wel het geval zou zijn geweest – niet de verdachte maar een ander de daadwerkelijke vervaardigingshandelingen heeft verricht. Daardoor kan uit de bewijsvoering van het hof het daderschap dan wel het mededaderschap van de verdachte zoals bewezen is verklaard, niet zonder meer volgen. [4] Ook de omstandigheid dat in twee verschillende productieruimtes DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen op handschoenen is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de verdachte betrokken is geweest bij het vervaardigen van amfetamine
op26 maart 2015. Daaruit kan enkel worden afgeleid – zoals de verdachte zelf ook heeft verklaard – dat hij (op enig moment) in die ruimte aanwezig is geweest, maar niet dat de verdachte ook daadwerkelijk handelingen heeft verricht voor het vervaardigen van amfetamine. Daarbij neem ik in overweging dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt waar en op welke plek in ruimte A en D de amfetaminebase(olie) is aangetroffen zodat uit het aantreffen van de handschoenen in die ruimte ook niet direct een link kan worden gelegd tussen de verdachte en het productieproces. [5]