Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
NJ2014/488, m.nt. Borgers) op onderdelen genuanceerd.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs [1] De feitenOp grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat vastgesteld.
Aangever [benadeelde] (geboren op [geboortedatum] 2003) bevond zich op 14 oktober 2017 samen met zijn vrienden in [plaats] . Op enig moment ontstond er ruzie tussen aangever en zijn vrienden met een groep meisjes. Op enig moment kwam er een kleine rode auto (merk Hyundai, type Atos [2] ) aan. Uit deze auto stapte een mannelijke bijrijder. Toen aangever weg wilde rennen, kreeg hij van de man een forse duw in zijn rug waardoor hij ten val kwam. Aangever lag in elkaar gekropen op de grond terwijl de man aan het schoppen was tegen zijn hoofd. [3] Ook is aangever geslagen. [4] Aangever had hierdoor pijn aan zijn hoofd en knie en last van hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid. [5] Hij had drie hematomen op zijn schouder. [6] Voornoemde man was de bijrijder van een rode Hyundai Atos en had een ontbloot bovenlichaam. [7] Verdachte is ter plaatse gekomen met een rode Hyundai Atos. [8]
Het standpunt van de verdedigingDe verdediging heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging bevinden zich in het dossier onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan. De door de verdediging gevoerde verweren zullen hierna bij de beoordeling besproken worden.
Beoordeling door de rechtbank
Getuige [getuige 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat de jongen wegrende en dat de vader van [betrokkene 1] hem te pakken kreeg. De jongen probeerde los te komen, maar de vader van [betrokkene 1] greep de jongen vast. [getuige 1] zag dat de vader van [betrokkene 1] de jongen twee à drie keer sloeg ter hoogte van zijn schouders en zijn zij, terwijl hij op de grond lag. De ouders van [betrokkene 1] kwamen met een rood autootje. [9] De vader van [betrokkene 1] droeg die avond een korte broek en had een blote buik. Volgens [getuige 1] zit de vader van [betrokkene 1] er altijd zo bij. [10] Verdachte heeft verklaard dat hij de vader van [betrokkene 1] is. [11] De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd onjuist is. Volgens de verdediging is de verklaring die [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft afgelegd wel juist.
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt. De verklaring die [getuige 1] bij de politie heeft afgelegd is gedetailleerd en stemt bovendien op doorslaggevende punten overeen met de aangifte en de verklaringen van getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . De rechtbank vindt het opvallend dat [getuige 1] haar verklaring bij de rechter-commissaris heeft gewijzigd, nadat zij de dochter van verdachte (een vriendin van [getuige 1] ) heeft gesproken en samen met haar stukjes uit haar verklaring heeft gelezen. De rechtbank hecht daarom meer waarde aan de door [getuige 1] bij de politie afgelegde verklaring en zal deze verklaring aan het bewijs van het ten laste gelegde feit laten bijdragen.
Voorts heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat verdachte de bestuurder was en [betrokkene 2] de bijrijder. De verdediging heeft daartoe verwezen naar de tweede verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 5] en [betrokkene 2] . Nu door getuigen is verklaard dat de bijrijder de geweldpleger was, kan dit volgens de verdediging niet verdachte zijn geweest.
De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.
De rechtbank acht de verklaringen van verdachte en getuigen [getuige 5] en [betrokkene 2] , waarin zij verklaren dat verdachte de bestuurder was, niet geloofwaardig. Niet alleen hebben zij in hun eerste verklaring gelogen over hun aanwezigheid op de plaats delict, ook staan hun tweede verklaringen lijnrecht tegenover de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 6] en [getuige 7] . [12] Allen verklaren dat de bijrijder een ontbloot bovenlichaam had. De rechtbank heeft geen enkele reden om aan hun verklaringen te twijfelen. Bovendien heeft getuige [getuige 4] verklaard dat er naast de man met het ontbloot bovenlichaam een man stond die een Ajax-shirt aan had en dat deze man niets deed. [13] [betrokkene 2] droeg die avond een Ajax-trainingspak. [14] De rechtbank ziet de verklaringen van verdachte en getuigen [getuige 5] en [betrokkene 2] niet anders dan als op elkaar afgestemde verklaringen en schuift hun verklaringen terzijde. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte de bijrijder met het ontblote bovenlichaam was en dat verdachte degene is geweest die aangever heeft geduwd, getrapt en/of geschopt en geslagen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe het handelen van verdachte gekwalificeerd moet. worden, De rechtbank overweegt als volgt.
Het hoofd is een kwetsbaar gedeelte van het lichaam. Door aangever te mishandelen zoals omschreven, daarbij kijkend naar de kwetsbare -liggende- positie waarin aangever zich bevond, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de opzet gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank acht dan ook het primair tenlastegelegde bewezen, te weten de poging tot zware mishandeling.
Strafverzwarende omstandigheidAan verdachte is op grond van artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht de recidive als strafverzwaringsgrond ten laste gelegd. Blijkens het uittreksel justitiële documentatie is verdachte op 22 november 2016 door de politierechter te Arnhem onherroepelijk veroordeeld voor mishandeling tot een gevangenisstraf voor de duur van één week voorwaardelijk. [15] Dit betreft een veroordeling voor een soortgelijk misdrijf. Nu er sinds deze veroordeling nog geen vijf jaren zijn verlopen, acht de rechtbank artikel 43a van het Wetboek van Strafrecht van toepassing”
[getuige 1]
Heeft heel duidelijk bij de RC verklaard dat haar verklaring bij de politie niet klopt en ze heeft ook uitgelegd hoe dat zo is gekomen. Bij de RC heeft ze verklaard dat ze niet weet wie het gedaan heeft.
Dat deze getuige voor haar verklaring bij de RC beïnvloed zou zijn of sterker nog bedreigd zou zijn, is suggestie en speculatie. Daar is niets van gebleken.
7.
Verklaring van [getuige 1] staat op zich zelf
Ook indien u de verklaring van [getuige 1] bij de politie wel overeind laat, dan nog is het zo dat zij de enige is die rechtstreeks mijn cliënt aanwijst als de dader. Dus zelfs in dat geval, meen ik dat het bewijs nog te mager is voor een veroordeling.
8.
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuige [getuige 1]
Mocht u in Raadkamer zo ver komen en overwegen dat de verklaring van [getuige 1] bij de politie voor het bewijs kan worden gebezigd dan doe ik, in dat geval, het verzoek haar nogmaals als getuige te mogen horen ten overstaan van Uw Hof. Zij is een getuige die een belastende verklaring bij de RC heeft ingetrokken en zij kan van doorslaggevende betekenis zijn.
Ik meen dat u zelf dan haar betrouwbaarheid nog dient te toetsen door haar te horen. Daarna kan dat dan leiden tot een zorgvuldig rechterlijk bewijsoordeel.”
Het door de raadsman ter terechtzitting gedane voorwaardelijke verzoek om [getuige 1] ter terechtzitting te horen wijst het hof af nu dit verzoek onvoldoende is onderbouwd. Het hof ziet de noodzaak tot het horen van deze getuige niet nu deze getuige al bij de rechter-commissaris is gehoord en de verdediging toen in de gelegenheid is geweest de getuige te bevragen.”
NJ2014/488, m.nt. Borgers) gedeeltelijk op bovenstaand kader teruggekomen. Onder verwijzing naar de op 1 maart 2007 in werking getreden Wet stroomlijnen hoger beroep besloot de Hoge Raad in dit arrest het bovenstaande kader voor wat betreft de appelfase te nuanceren. De belangrijkste overweging luidt als volgt:
NJ2019/239. In dit arrest bepaalde de Hoge Raad dat op de appelrechter, indien hij een bij de politie afgelegde belastende verklaring van een getuige voor het bewijs wil gebruiken, terwijl de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken deze verklaring niet betrouwbaar te achten, daarom niet voor het bewijs te gebruiken en mede daarom tot vrijspraak te komen, geen ambtshalve verplichting rust deze getuige ter zitting op te roepen. Wel bestaat onder zulke omstandigheden een – ambtshalve – motiverings-verplichting om te verantwoorden waarom de bij de politie afgelegde verklaring wel wordt gebruikt. Uit dit arrest meen ik te mogen afleiden dat de Hoge Raad tegenwoordig meer voelt voor motiveringsverplichtingen dan voor oproepingsverplichtingen. Al met al meen ik dus dat in situaties als de onderhavige een verzoek van de verdediging geen verplichting in het leven roept voor de appelrechter om een getuige ter zitting te doen oproepen. Het middel gaat aldus uit van een onjuiste rechtsopvatting.