Conclusie
2.Het eerste middel
Gerechtshof Den Haag
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor diefstal en poging tot diefstal met braak en inklimming tot een gevangenisstraf van vijf maanden. In cassatie werd aangevoerd dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet vermeldt dat de zitting openbaar was, wat een fundamenteel vereiste is volgens art. 6 EVRM Pro, art. 121 GW Pro, art. 4 RO Pro en art. 269 Sv Pro.
De conclusie van de procureur-generaal stelt vast dat het proces-verbaal geen melding maakt van openbaarheid noch van gewichtige redenen om de zitting gesloten te houden. Dit leidt ertoe dat het onderzoek en het arrest nietig zijn. Hoewel vermoed wordt dat het een misslag in de verbalisering betreft en de zitting waarschijnlijk wel openbaar was, geldt strikt het vereiste dat dit expliciet moet blijken uit het proces-verbaal.
De Hoge Raad volgt dit standpunt en vernietigt het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing in hoger beroep. De overige middelen van cassatie behoeven geen bespreking meer.
Het openbaarheidsvereiste is van fundamenteel belang en kan niet worden genegeerd, ook niet als de verdachte niet zelf ter terechtzitting is verschenen of geen bezwaar heeft gemaakt tegen een gesloten zitting.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens ontbreken van openbaarheidsvermelding in het proces-verbaal.