Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Kareda-arrest [9] van het HvJEU niet opgaat, omdat het in die zaak niet ging om een regresvordering wegens het voldoen van een hoofdelijke belastingschuld en ook niet om een schuld die op grond van erfrecht is overgegaan op de erfgenamen.
Kareda-arrest was de vraag aan de orde of een regresvordering tussen hoofdelijke medeschuldenaren van een kredietovereenkomst onder het begrip ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van art. 7 punt Pro 1 Verordening Brussel I-bis viel. Het HvJEU heeft onder meer overwogen dat dit het geval is, omdat de verbintenis uit hoofde van de regresvordering zijn bestaansrecht heeft in de kredietovereenkomst die als verbintenis uit overeenkomst kwalificeert.
Kareda-arrest niet toegepast had mogen worden. Dat de vordering op grond van erfrecht is overgegaan op de erfgenamen speelt voor de kwalificatie van de regresvordering zelf geen rol. Het hof heeft erop gewezen dat de kwalificatie als onrechtmatige daad in de zin van art. 7 punt Pro 2 Verordening Brussel I-bis strookt met art. 20 Verordening Pro Rome II [11] waarin is bepaald dat in het geval een schuldeiser een vordering heeft op verscheidene voor dezelfde vordering aansprakelijke schuldenaren, van wie er één de schuld reeds geheel of gedeeltelijk heeft voldaan, de regresvordering van deze schuldenaar op de andere schuldenaren wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de (niet-contractuele) verbintenis van deze schuldenaar jegens de schuldeiser. Weliswaar geldt dat de door de wetgever van de Europese Unie wenselijk geachte samenhang tussen de Verordening Rome II en de Verordening Brussel I-bis niet ertoe kan strekken dat aan een bepaling van Unierecht een uitleg wordt gegeven die niet strookt met het stelsel en de doelstellingen van de verordening waarin die bepaling is opgenomen [12] , maar niet is gebleken dat het hof dit heeft miskend. Het oordeel van het hof getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.