ECLI:NL:HR:2021:969

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2021
Publicatiedatum
18 juni 2021
Zaaknummer
20/01029
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 1 lid 2, aanhef en onder f, Verordening Brussel I-bis
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in bestuurdersaansprakelijkheid en regresvordering

In deze zaak stond centraal de vraag of de Hoge Raad het cassatieberoep van eisers tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden kon toewijzen. Het geschil betrof een regresvordering van een bestuurder van een rechtspersoon op de erfgenamen van een medebestuurder, in verband met bestuurdersaansprakelijkheid.

De Hoge Raad verwees voor het geding in feitelijke instanties naar het vonnis van de rechtbank Gelderland van 11 april 2018 en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2019. De klachten van eisers tegen het arrest van het hof konden niet leiden tot vernietiging van dat arrest.

De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven, omdat het oordeel niet van belang was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en veroordeelde eisers in de kosten van het geding in cassatie, inclusief salaris en verschotten, vermeerderd met wettelijke rente.

Het arrest werd gewezen door de raadsheren Tanja-van den Broek, Wattendorff en Salomons, en in het openbaar uitgesproken door Kroeze.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01029
Datum18 juni 2021
ARREST
In de zaak van
1. [eiseres 1],
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats], Polen,
EISERS tot cassatie,
hierna: [eisers],
advocaat: N.C. van Steijn,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster],
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak NL17.11235 van de rechtbank Gelderland van 11 april 2018;
het arrest in de zaak 200.242.761 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2019.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerster] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, en voor [verweerster] mede door B. Sujecki.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 415,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eisers] deze niet binnen veertien dagen na heden hebben voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, H.M. Wattendorff en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.J. Kroeze op
18 juni 2021.