Conclusie
Inleiding
De zaak
eersteschade genoemd. Ik merk tussendoor op dat deze eerste schade voor de onderhavige zaak en de beoordeling van de middelen van geen betekenis is. Van belang is het vervolg. Ten gevolge van overbelasting door sneeuw, water en ijs bezweek het dak van het bedrijfspand. Dat was begin maart 2005. Deze dakschade wordt in de stukken als de
tweedeschade aangeduid en werd door [betrokkene 1] geschat op een bedrag van € 350.000,- tot € 400.000,-. In dezelfde maand maart verscheen de verdachte ten tonele. Naar eigen zeggen wilde hij het bedrijfspand kopen voor inpandige prostitutie en zou hij daar al toestemming voor hebben gekregen van de gemeente. Een zekere [betrokkene 5] zou als medefinancier met hem zijn mee geweest naar de gemeente en naar het bedrijfspand om dit te bekijken. [D] , met [betrokkene 3] als projectleider, kreeg op 25 maart 2005 de opdracht van [B] voor het uitvoeren van een onderzoek naar de oorzaak van de dakschade. Dit (tweede) rapport verscheen op 23 mei 2005. Ongeveer een maand eerder, op 28 april 2005, was namens [A] aangifte omzetbelasting gedaan over het eerste kwartaal van 2005 voor een negatief (terug te vragen) bedrag van € 142.544,- in verband met de aanschaf van de bedrijfshal (het pand). Bij deze aangifte bevond zich een factuur van [C] aan [A] d.d. 31 maart 2005 betreffende de aankoop van het pand door [A] voor een bedrag van € 892.500,- inclusief € 142.500,- BTW. Deze factuur is door de verdachte als directeur van [A] aanvaard. Op 21 juni 2005 is door de belastingdienst een geldbedrag van € 142.544,- aan teruggave omzetbelasting naar een bankrekeningnummer van [A] overgemaakt. Op 29 juni 2005 is door [C] een bedrag van in totaal € 147.100,- overgeboekt naar een rekening van [betrokkene 6] (een andere verdachte). Op 29 juli 2005 is door [C] een creditnota naar [A] gestuurd voor een bedrag van € 892.500,- inclusief € 142.500,- BTW, met als omschrijving “i.v.m. negatief rapport [D] crediteren wij onze factuur [0001] , aankoop bedrijfspand [a-straat 1] te [plaats] ”. Met ingang van 25 oktober 2005 werd de verdachte als bestuurder van [A] opgevolgd door [betrokkene 7] , die door justitie als katvanger wordt beschouwd. Over de jaren 2005, 2006 en 2007 had [betrokkene 7] namelijk enkel inkomsten uit een bijstandsuitkering en deed hij bij schrijven van 7 december 2005 een melding van betalingsonmacht bij de belastingdienst. De verdachte betwist dat hij een schijnconstructie voor de belastingdienst heeft opgezet. Bij de verkoop van het bedrijfspand aan de verdachte zou alleen eerdere (constructie)schade zichtbaar zijn geweest, die was ontstaan door de verplaatsing in 2002 van de bedrijfshal naar [plaats] en de herbouw. De zogenoemde tweede schade (de dakschade) zou pas zijn ontstaan nadat de – gestelde, maar door het hof als fake beschouwde – koopovereenkomst tussen [C] en [A] was gesloten.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
1. Inleiding (D-192/6)
2. Algemene gegevens (D-192/7)
3. Bevindingen (D-192/7)
Oordeel van het hof
Beoordeling van de middelen
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat het hof de (herhaalde) verzoeken tot het horen van een drietal getuigen – te weten [betrokkene 5] , [betrokkene 1] en [betrokkene 4] – ten onrechte heeft afgewezen, althans deze afwijzing onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
nahet sluiten van de koopovereenkomst.
tweede middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het opzet onvoldoende met redenen is omkleed.
metschade € 750.000,- waard was, antwoordt verdachte dat het pand door de schade geen € 750.000,- meer waard was en dat hij daarom van de aankoop heeft afgezien.”
derde middelklaagt dat het hof het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op grond van de inkeerbepaling als bedoeld in art. 69, derde lid, AWR, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.
Inkeer
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
NJ2001/699 en een passage uit de daaraan voorafgaande conclusie van mijn voormalige ambtgenoot Jörg ingeroepen ter onderbouwing van de klacht. In dit arrest is onder meer overwogen:
NJ1991/347).
NJ2010/419 worden opgemaakt dat het opzet ten aanzien van een eerder foutief ingediende aangifte niet in de weg hoeft te staan aan de toepassing van de inkeerbepaling zoals bedoeld in het derde lid van art. 69 AWR Pro. Dit past bij de gedachte van de wetgever dat ontmoediging van inkeer bij de belastingplichtige die een aanvang met belastingontduiking heeft gemaakt moet worden voorkomen. Anders zou de betrokkene daarmee weleens door kunnen gaan uit angst voor strafvervolging. [11] De Hoge Raad oordeelde in de zaak van 6 juli 2010 als volgt:
niet alsnog, in ieder geval onvoldoende expliciet,
kenbaar[cursivering door mij, AG] is gemaakt dat de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2005 onjuist en/of onvolledig is geweest. Daarbij heeft het hof betrokken de vaststelling dat uit de aangifte van het derde kwartaal van 2005 ook overigens niet in redelijkheid kan worden afgeleid dat [A] de intentie had tot vrijwillige verbetering van de eerder ingediende aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2005.
NJ2001/699) in de onderhavige zaak wel degelijk sprake is van een ‘zoekplaatje’. Met het enkel indienen van de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2005, waarin slechts is verzocht om teruggave van omzetbelasting, is zeker niet voldoende
kenbaargemaakt aan de Belastingdienst dat de eerder in het eerste kwartaal van 2005 gedane aangifte onjuist is geweest en dat deze onjuiste aangifte hersteld diende te worden. Ook in de zaak van de verdachte ontbreekt enige nadere toelichting. Het zou niet alleen zuiverder zijn geweest om een verzoek tot aanpassing van de aangifte over het eerste kwartaal van 2005 bij de Belastingdienst in te dienen, maar dit zou ook de enige juiste weg zijn geweest om een succesvol beroep op de inkeerregeling te kunnen doen. In dit verband wordt door de steller van het middel met een beroep op de ratio van de inkeerbepaling nog geopperd dat de consequenties van beide methodes (het verzoek tot alsnog corrigeren en de manier waarop het nu is gegaan) gelijk zijn, aangezien in beide gevallen wordt aangegeven dat een bedrag dat eerder is afgetrokken nu alsnog moet worden betaald. Met die ‘ratio’ doelt de steller van het middel kennelijk op de uitleg die de memorie van toelichting heeft gegeven op het derde lid van art. 69 AWR Pro, die er op neerkomt dat wie tijdig zijn onjuiste of onvolledige belastingaangifte herstelt de dans ontspringt. De steller van het middel gaat er daarmee aan voorbij dat in de onderhavige zaak geen sprake is geweest van herstel dan wel een verzoek tot inkeer als door de wetgever bedoeld, maar enkel van een verzoek tot teruggave dan wel betaling van omzetbelasting over het derde kwartaal van 2005.
vierde middelklaagt, in samenhang bezien met de toelichting, dat de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd, nu daaruit niet eenduidig is af te leiden welke straf het hof zelf passend en geboden zou hebben gevonden wanneer geen sprake zou zijn geweest van overschrijding van de redelijke termijn.
Oplegging van straf en/of maatregel
de door de rechtbank opgelegde straf in beginsel gerechtvaardigd acht. Met deze overweging heeft het hof genoegzaam tot uitdrukking gebracht welke straf het zou hebben opgelegd wanneer de redelijke termijn niet zou zijn overschreden: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk, en een geldboete van € 20.000,-, subsidiair 135 dagen hechtenis. Omdat echter de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden, heeft het hof het onvoorwaardelijk gedeelte van de gevangenisstraf met een maand verminderd.