ECLI:NL:HR:2007:BA5810
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt vrijspraak wegens ontbreken van opzet bij onjuiste belastingaangiften
In deze strafzaak stond de vraag centraal of verdachte opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting had gedaan, waardoor te weinig belasting werd geheven. Het hof had verdachte vrijgesproken voor de aangiften over het eerste tot en met derde kwartaal van 1998, omdat uit het dossier bleek dat verdachte later een accountantsrapport had overgelegd waaruit bleek dat nog een bedrag aan omzetbelasting diende te worden voldaan. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat verdachte vanaf het begin opzet had gehad.
Voor de aangiften over het derde en vierde kwartaal van 1999 en het eerste en tweede kwartaal van 2000 oordeelde het hof echter dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften had gedaan. Dit was gebaseerd op het ontbreken van mededelingen aan de Belastingdienst door de accountant en verdachte zelf, en op verklaringen van verdachte dat hij bewust geen suppletie-aangifte had gedaan en de fiscus maar achteraan moest sluiten.
De Hoge Raad bevestigt dat het hof geen verkeerde rechtsopvatting heeft gegeven door de vrijspraak over 1998 te handhaven. Het enkele feit dat een aangifte onjuist is, betekent niet automatisch dat er vanaf het begin opzet was. Ook het gestelde strekkingsvereiste in art. 69 lid 2 AWR Pro verandert hier niets aan. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof, inclusief de opgelegde taakstraf.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak voor 1998 wegens ontbreken van opzet en de veroordeling voor latere periodes wegens opzettelijk onjuiste aangiften.