In deze zaak heeft het hof het verzoek tot aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting afgewezen, ondanks dat de verdachte wegens persoonlijke omstandigheden in het buitenland verbleef en gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht. De raadsvrouw van de verdachte had dit verzoek twee dagen voor de zitting ingediend en herhaald tijdens de zitting. Het hof motiveerde de afwijzing door te wijzen op onvoldoende onderbouwing en gaf voorrang aan een spoedige berechting.
De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het aanhoudingsverzoek werd afgewezen, met name omdat het hof de concrete omstandigheid van het verlengde verblijf in het buitenland niet in de belangenafweging heeft betrokken. Ook is niet begrijpelijk waarom de raadsvrouw niet de gelegenheid is geboden om het verzoek nader toe te lichten of bewijsstukken te overleggen.
De Hoge Raad benadrukt dat het aanwezigheidsrecht van de verdachte een fundamenteel onderdeel is van een eerlijk proces en dat aanhoudingsverzoeken concreet en voldoende onderbouwd moeten worden. De motivering van het hof moet begrijpelijk zijn en alle relevante belangen moeten worden meegewogen. De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling.