Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex nunc). In elk geval is de bestreden beslissing volgens het cassatiemiddel onbegrijpelijk, nu niet blijkt dat betrokkene aan een psychische stoornis lijdt, noch dat het gedrag dat uit een dergelijke stoornis voortvloeit onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt: volgens de behandelend psychiater behoefde betrokkene ten tijde van de zitting geen GGZ-behandeling. Eveneens onbegrijpelijk is (i) dat de rechtbank dezelfde vormen van verplichte zorg noodzakelijk heeft geacht als die, welke waren vermeld in de crisismaatregel, en (ii) dat er geen minder bezwarende alternatieven zouden zijn die hetzelfde beoogde effect hebben en evenredig en naar verwachting effectief zijn.
ex nunc’):
nietlijdt aan een psychische stoornis in de zin van de Wvggz (‘true mental disorder” in de zin van de rechtspraak van het EHRM over art. 5, lid 1 onder e, EVRM) [5] . Evenmin blijkt dat het gedrag van betrokkene dat uit die stoornis voortvloeit onmiddellijk dreigend ernstig nadeel veroorzaakt. De steller van het middel onderkent dat de rechtbank van oordeel is dat bij betrokkene zeer waarschijnlijk sprake is van een floride psychotisch toestandsbeeld, dat mogelijk voortkomt uit middelengebruik of uit een primaire psychotische stoornis (vgl. rov. 2.4). Volgens de toelichting op het middel heeft de rechtbank dat oordeel kennelijk ontleend aan de medische verklaring. Die medische verklaring is niet in een direct contact met betrokkene tot stand gekomen, maar bevat uitsluitend door de familie meegedeelde of in het medisch dossier gevonden informatie. Overigens is de verklaring van de behandelend psychiater ter zitting wél op de actuele toestand gebaseerd.
true mental disorder’ is iets anders dan het gedrag dat uit de stoornis voortvloeit. Een psychose kan verschillende, van elkaar te onderscheiden fasen doorlopen. [6] Het stadium waarin symptomen zoals bijvoorbeeld wanen en hallicunaties duidelijk merkbaar zijn, wordt wel aangeduid als de bloeiende (‘floride’) fase van een psychose. De vaststelling of sprake is van een psychische stoornis vergt een daarop gericht onderzoek van de betrokkene door een medisch specialist. Bij een (machtiging tot voortzetting van een) crisismaatregel is niet vereist dat de diagnose met zekerheid door een medisch specialist is vastgesteld. Aangezien slechts beperkte tijd beschikbaar is om een diagnose te stellen, is voldoende dat “een ernstig vermoeden” bestaat dat betrokkene aan een psychische stoornis lijdt (zie art. 7:1, lid 1 onder b, in verbinding met art. 7:7 Wvggz Pro). In zoverre wijkt het criterium voor een crisismaatregel af van dat voor een zorgmachtiging (zie art. 6:4 lid 1 in Pro verbinding met art. 3:3 Wvggz Pro).
onder 1.5neemt – terecht − tot uitgangspunt dat verplichte zorg slechts als uiterste middel kan worden overwogen en dat de proportionaliteit en subsidiariteit, alsmede de doelmatigheid en veiligheid van de verplichte zorg moeten worden beoordeeld. [8] Volgens de toelichting is, in het licht van de verklaring van de behandelend psychiater ter zitting dat betrokkene “op dit moment geen GGZ-behandeling behoeft”, onbegrijpelijk dat de rechtbank dezelfde vormen van verplichte zorg noodzakelijk heeft geacht die in de crisismaatregel waren vermeld. Met name acht betrokkene het onbegrijpelijk dat er volgens de rechtbank geen minder bezwarende alternatieven zijn die hetzelfde beoogde effect hebben en evenredig en naar verwachting effectief zouden zijn (rov. 2.5 en 2.6). Volgens de toelichting
onder 1.6is onbegrijpelijk waarom alle vormen van verplichte zorg voor een periode van twee weken door de rechtbank noodzakelijk zijn geacht, “alleen om een groepsgesprek tot stand te brengen, waarna zou kunnen worden bezien welke vormen van (psychische) hulpverlening verder noodzakelijk zijn”. Dit zou niet te rijmen zijn met de overweging dat het psychotische toestandsbeeld van betrokkene lijkt te zijn ‘verbleekt’ (rov. 2.7).