Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt dat het hof bij de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot dwangverpleging van overheidswege acht heeft geslagen op een advies dat eerder dan een jaar voor de aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, zonder instemming van het openbaar ministerie en de verdachte.
Op te leggen maatregel
Betrokkene heeft een overwaardig zelfbeeld van waaruit hij zich gerechtvaardigd voelt om anderen instrumenteel te gebruiken. Hij heeft een voortdurende en onverzadigbare behoefte aan externe bevestiging van dit overwaardige zelfbeeld. Dit leidt tot een voortdurende frustratie bij betrokkene. Hij voelt zich snel gekrenkt, waarop hij met razernij en wraakzucht reageert. Deze uitingen op krenkingen zijn veelal ongepland en sterk reactief bepaald.
Wanneer betrokkene onbehandeld terugkeert in de omstandigheden van voor zijn aanhouding, zal hij in de dynamiek met anderen frustratie ervaren in zijn voortdurende onverzadigbare behoefte van bevestiging van zijn overwaardige zelfbeeld en zal hij opnieuw tot instrumenteel ingezette, geplande agressie en tot impulsieve agressie komen, in reactie op krenkingen. Hij zal zich amper kunnen onttrekken aan deze dynamiek, zoals ook gebleken is tijdens de observatie. Hij heeft instrumenteel besef van waarden en normen maar handelt daar niet naar. Ook zijn emotionele instabiliteit, die deels voortvloeit uit de beschreven narcistische dynamiek, kan - onbehandeld - leiden tot recidive terwijl de gewetensfuncties dermate beperkt zijn dat er amper remmende werking vanuit gaat.
Teneinde het hoge, pathologisch bepaalde recidivegevaar aanzienlijk te doen verminderen, dient er een behandeling plaats te vinden van betrokkenes persoonlijkheidsstoornis.
“Op grond van de indruk die betrokkene maakt in de gesprekken aangevuld met testpsychologisch onderzoek in respectievelijk 2004 en 2014 concluderen ondergetekenden dat er intelligentieproblematiek aanwezig is. Werd betrokkenes intelligentie in 2004 met de WAISII nog bepaald op laaggemiddeld, in 2014 werd met de betrouwbaardere WAISIV geconcludeerd dat betrokkene scoort in het domein van de lichte zwakzinnigheid. Onder getekenden overwegen dat intelligentie niet alleen wordt vastgesteld door de resultaten van testonderzoek, maat ook op grond van praktisch en sociaalmaatschappelijk functioneren. In die domeinen valt op dat betrokkene oppervlakkige sociale gaven heeft, hij in staat is relaties aan te gaan, hulpvaardig kan zijn, en in het eerste contact een vrij goede indruk wekt; pas na verloop van tijd valt hij door de (sociale, relationele) mand. Het geheel overziend menen de onderzoekers dat betrokkene omschreven kan worden als een man met een lichtverstandelijke beperking. (...)
Betrokkene voldoet aan de kenmerken van een antisociale-persoonlijkheidsstoornis met daarbij narcistische trekken. Hij voldoet niet aan de volledige criteria van een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Hij fantaseert en fabuleert, maakt zijn wereld tegenover anderen groot, maar hij is niet heel snel krenkbaar. Daarnaast bestaat ook borderline-dynamiek alsmede enkele afhankelijke persoonlijkheidstrekken bij betrokkene. Bovenal zien ondergetekenden betrokkenes lichtverstandelijke beperking binnen deze antisociale, narcistische, borderline en afhankelijke dynamiek doorschemeren. Deze kenmerken komen in duidelijke mate naar voren binnen een relationele context van enige omvang en duur. In betrokkenes perceptie doet hij als het ware diepte-investeringen, en wel door zich naar zijn partner initieel dienstbaar op te stellen en haar problemen te helpen oplossen, onder andere door geld en goederen ter beschikking te stellen. Betrokkene heeft dan zelfs prosociale gedachten ter beschikking. (...)
Uit deze instrumenten (hof: risicotaxatie-instrumenten) kan worden afgeleid dat betrokkene in een onbegeleide situatie een verhoogd risico zal vertonen voor handelend agressief gedrag. (...) Vermoedelijk zal het gevaar actueel worden als een relatie weer onder druk staat dan wel afloopt (en betrokkene ‘openstaande rekeningen vereffent’). Verder valt escalatiegevaar (in de zin van levensbedreigende situaties) niet te verwachten. Geweldsthemata uiten zich verder bij betrokkene naast geweldpleging (indien bewezen) bovenal in ernstige verbale bedreigingen.
s(
vet door mij, DP) van de onderzoekers van het PBC voldoende aanknopingspunten bieden (…)”, “constateert dat de onderzoekers tot andere bevindingen komen” en “overweegt daartoe dat de bevindingen van de onderzoekers van voormeld PBC-rapport [2016, DP] beter past bij het beeld dat door de vele referenten geschetst wordt”. Daaraan legt het hof mede ten grondslag het beeld dat door de vele referenten (waaronder ex-partners en kinderen) geschetst wordt, dat terugkomt in 319 pagina’s mutaties van de politie, dat ook een patroon beschrijft dat terugkomt in de bewezenverklaarde feiten, en het feit dat het rapport aansluit bij een verklaring van de verdachte. Het hof heeft daarmee acht geslagen op de voorhanden zijnde rapporten en adviezen, heeft de rapporten en de daaraan ten grondslag liggende informatiebronnen tegen elkaar afgewogen en gewaardeerd, en is vervolgens tot het oordeel gekomen, waartoe het in mijn ogen ook heeft kunnen komen, de tbs-maatregel op te leggen.
tweede middelkomt op tegen de vervangende hechtenis die aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel is verbonden.