Conclusie
de erfdienstbaarheid van weg en het mogen parkeren van een automobiel op de strook grond gelegen ten noorden van de ongeveer noordelijke buitenmuur van het woonhuis [a-straat 2] ;”
dat geparkeerde auto’s het uitzicht uit de noordelijke zijgevel van het perceel [a-straat 2] niet mogen belemmeren.”
gevelvan de woning op perceel [a-straat 2] grenst, dus een strook grond waarop geen enkele auto kan worden geparkeerd die bovendien (nagenoeg) de gevel zou kunnen raken, zodat dit alleen al daarom geen uitleg is die, naar objectieve maatstaven gemeten, in de rede ligt. Dat het om een strook grond zou gaan die direct aan de noordelijke gevel grenst is bovendien niet voor de hand liggend omdat in de omschrijving niet staat ‘ten noorden van de noordelijke buitenmuur’, maar “ten noorden van de
ongeveernoordelijke buitenmuur” [curs. hof], wat veeleer erop duidt dat nog enige ruimte aanwezig is tussen de noordelijke gevel en de strook grond waar het om gaat en pleit voor de uitleg dat partijen destijds hebben gedoeld op het (aan [betrokkene 2] in eigendom toebehorende) pad. Kennelijk is de (door de rechtbank gevolgde) uitleg van [eiser 1] ingegeven door de gedachte dat de vorm waarin de afspraken tussen partijen zijn vervat (een erfdienstbaarheid) beslissend is en dat een erfdienstbaarheid slechts op de eigendom van een stuk grond van een lijdend erf kan drukken, zodat deze in het onderhavige geval slechts de strook grond van één meter breed toebehorend aan [verweerster 1] kan betreffen. Het hof laat, zoals hiervoor (onder 3.7) reeds overwogen, in het midden of die redenering juist is, omdat het slechts aankomt op de in de genoemde aktes tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in die aktes opgenomen, naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van die aktes uit te leggen omschrijving van rechten en plichten, waarbij de situatie ter plaatse mag worden betrokken, en het hof, daarvan uitgaande, tot geen andere dan tot de hiervoor (onder 3.7) gegeven uitleg kan komen. Die uitleg, die inhoudt dat de (ene) auto die op het pad mag worden geparkeerd, in elk geval naast de schutting dient te worden geparkeerd en niet de grens van de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat 2] mag overschrijden, brengt mee dat in het geheel niet mag worden geparkeerd voor (of tussen) de gevelopeningen van de noordelijke buitenmuur van dat woonhuis. Hierin ligt besloten dat de vordering van [eiser 1] om [verweerster 1] te bevelen zorg te dragen voor het voor hun rekening verwijderen van het lage hekwerk alsmede de bomen en struiken althans beplanting, die door [verweerster 1] is aangebracht op de strook grond van 1 meter evenwijdig aan de noordgevel van [a-straat 2] . ten onrechte is toegewezen en alsnog dient te worden afgewezen.
2.Procesverloop in cassatie
3.Gevolgen eigendomsovergang: ontvankelijkheid en belang
4.Bespreking van het cassatieberoep
gevelvan de woning op perceel [a-straat 2] grenst, dus een strook grond waarop geen enkele auto kan worden geparkeerd die bovendien (nagenoeg) de gevel zou kunnen raken, zodat dit alleen al daarom geen uitleg is die, naar objectieve maatstaven gemeten, in de rede ligt. Dat het om een strook grond zou gaan die direct aan de noordelijke gevel grenst is bovendien niet voor de hand liggend omdat in de omschrijving niet staat ‘ten noorden van de noordelijke buitenmuur’ maar “ten noorden van de
ongeveernoordelijke buitenmuur” [curs. Hof], wat veeleer erop duidt dat nog enige ruimte aanwezig is tussen de noordelijke gevel en de strook grond waar het om gaat en pleit voor de uitleg dat partijen destijds hebben gedoeld op het (aan [betrokkene 2] [thans [eisers] A-G] in eigendom toebehorende) pad. (…)”
ookop die strook grond en niet
uitsluitendop die strook grond van ongeveer één meter breed.
Ten behoeve vanhet aan comparant [betrokkene 2] [nu [eisers] , A-G] in eigendom toebehorende perceelsgedeelte
als heersend erfen
ten laste vanhet aan comparant [betrokkene 3] [nu [verweerders] , althans [derden] , A-G] in eigendom behorende perceelsgedeelte
als lijdend erf:
heleauto kan worden geparkeerd, doet daaraan niet af. Immers kan die smalle strook dienen om een
deel vaneen auto op te parkeren. Ook hierbij kunnen [eisers] een voordeel hebben als eigenaar van het heersende erf. Zonder nadere motivering is dit oordeel van het hof gebaseerd op de breedte van de strook onbegrijpelijk. Anders dan [verweerders] lijken te betogen (s.t. onder 4.3 [24] ), is deze uitleg van de akte in het bestreden arrest wel degelijk nadelig voor [eisers]
“…dat geparkeerde auto’s het uitzicht uit de noordelijke zijgevel van het perceel [a-straat 2] niet mogen belemmeren” niet kan worden afgeleid dat partijen hebben beoogd het aantal op het pad te parkeren auto’s uit te breiden én dat dat betekent dat de (ene) auto die op het pad mag worden geparkeerd, in elk geval naast de schutting dient te worden geparkeerd en niet de grens met de achtergevel van het woonhuis op het perceel [a-straat 2] mag overschrijden.
beperkinginhoudt van de uitoefening van het recht dat voortvloeit uit de eerdere verwoording van de erfdienstbaarheid. Anders dan [eisers] betogen, respondeert het hof met zijn overweging omtrent het aantal auto’s ook impliciet op de (volgens [eisers] essentiële) stelling dat het bij het maken van de afspraken in de akte van 1998 een geven en nemen was, in de zin dat uit de akte zou blijken dat de litigieuze toevoeging ten voordele zou moeten strekken van [eisers] Uit rov. 3.7 blijkt voldoende dat het hof oordeelt dat de bewoordingen van de toevoeging niet anders kunnen worden opgevat dan dat sprake is van een ‘geven’ door (de rechtsvoorganger van) [eisers] , namelijk het accepteren van een beperking van de uitoefening van het recht van parkeren om het uitzicht van (de rechtsvoorganger van) [verweerders] veilig te stellen. Daarbij speelt ook dat de rechter niet steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering hoeft te betrekken [32] . De verwerping van een stelling kan ook impliciet [33] .