Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Verhaalsrecht zuiveringsheffing Waterschapswet
Behoort de doorberekende zuiveringsheffing tot de maatstaf van heffing of tot de uitschotten van belasting?
Mohr. [19] De betaling aan een landbouwer om zijn melkproductie te beëindigen werd niet als de vergoeding voor een dienst aangemerkt omdat geen sprake is van verbruik in de zin van de btw. [20] Het Hof van Justitie overweegt in dat verband:
SAWP [21] gaat het om de vraag of houders van reproductierechten een dienst verrichten ten behoeve van producenten en importeurs van blanco dragers en van inrichtingen voor opname en reproductie bij wie collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten en naburige rechten voor rekening van deze rechthebbenden een heffing innen op de verkoop van de dragers en inrichtingen. Het Hof van Justitie oordeelt dat zij geen dienst in de zin van de richtlijn verrichten. In de eerste plaats bestaat geen rechtsbetrekking tussen houders van reproductierechten of de collectieve beheersorganisatie en de producenten en importeurs en in de tweede plaats kan de verplichting om heffingen te storten niet worden beschouwd als een gevolg van de verrichting van een dienst waarvan zij de rechtstreekse tegenwaarde vormt. [22]
belasting, die naar evenredigheid van de dienst verschuldigd is door degene die de dienst verricht en als zodanig afzonderlijk en naar evenredigheid van de dienst wordt doorberekend aan degene aan wie de dienst wordt bewezen, behoort tot de uitschotten aan belasting.
De Danske Bilimportører [42] en betreft de vraag of de belasting op de registratie van nieuwe motorvoertuigen in de maatstaf van heffing moet worden begrepen. In deze zaak had de dealer vóór de levering van een nieuw voertuig de registratiebelasting voldaan en gefactureerd aan de koper. Het Hof van Justitie oordeelt dat de registratiebelasting niet in de maatstaf van heffing moet worden begrepen omdat het gaat om een doorlopende post. Het overweegt in dit verband:
TVI [43] gaat het om een vennootschap die in het kader van haar activiteiten op de televisiemarkt diensten inzake de uitzending van commerciële reclame verrichtte ten behoeve van verschillende adverteerders. Voor deze diensten bracht zij naast de prijs voor de uitzending van de reclame een uitzendheffing in rekening. Deze heffing moest TVI afdragen aan openbare lichamen.
Lisboagás GDL [45] volgt het Hof van Justitie een iets andere route, maar komt tot hetzelfde resultaat als in
TVI. Ingevolge een exclusieve concessie is Lisboagás belast met de ontwikkeling, de exploitatie en het onderhoud van het gasdistributienet in gemeenten van de regio Lissabon. Zij is aan de gemeenten een heffing verschuldigd voor het gebruik van de ondergrond waarin zich de ondergrondse leidingen bevinden van het gasdistributienet. Zij berekent het bedrag van de aan de gemeenten afgedragen heffing door aan een onderneming die is belast met de gasverkoop wanneer zij die onderneming het gebruik van de infrastructuren van het net voor de levering van het gas aan de consument in rekening brengt. Vervolgens wentelt het gasdistributiebedrijf het bedrag van de heffing in de gasrekening af op de consument. Het Hof van Justitie oordeelt dat de gemeentelijke heffing geen belasting vormt die op grond van artikel 78(a) Btw-richtlijn in de maatstaf van heffing moet worden opgenomen. De reden hiervoor is dat die heffing geen toegevoegde waarde vertegenwoordigt en niet de geldelijke tegenprestatie vormt voor een aan btw onderworpen transactie en het belastbare feit van de heffing niet overeenstemt met dat van de btw. [46] De gemeentelijke heffing moet echter wel ingevolge artikel 73 Btw Pro-richtlijn in de maatstaf van heffing worden opgenomen op de grond dat het bedrag van de gemeentelijke heffing onderdeel is van de tegenprestatie die Lisboagás van het gastdistributiebedrijf ontvangt voor haar dienst. Het Hof van Justitie overweegt in dit verband: