Conclusie
1.Overzicht
Elternzeitopgenomen en van de Duitse overheid
Elterngeldontvangen. Na haar ziekmelding in 2004 heeft zij feitelijk niet meer gewerkt in haar dienstbetrekking. Wel heeft zij in de periode tot 5 oktober 2007, waarin zij onafgebroken arbeidsongeschikt werd geacht, nog als zelfstandige gewerkt. Op 31 december 2007 eindigde het dienstverband bij haar Duitse werkgever. Op 31 december 2007 heeft zij een ontslagvergoeding ontvangen. Tot 7 november 2008 heeft zij
Elterngeldontvangen.
Elterngelden de premies die voor haar zijn afgedragen tijdens haar
Elternzeitvallen volgens de Rechtbank niet onder het loonbegrip van art. 12 Wet Pro WIA omdat die werden uitgekeerd c.q. afgedragen door de Duitse overheid en niet door haar Duitse werkgever. In hoger beroep heeft ook de Centrale Raad van Beroep (CRvB) belanghebbendes stelling verworpen dat het
Elterngeldkan worden gelijkgesteld met loon in de zin van art. 12 Wet Pro WIA.
Elterngeldmoet wel degelijk als loon ex art. 12 Wet Pro WIA beschouwd worden; (ii) het UWV heeft het refertejaar willekeurig en daarmee onjuist vastgesteld; (iii) ten onrechte is geen rekening gehouden met de ontslagvergoeding die de belanghebbende op 31 december 2007 heeft ontvangen; (iv) onbegrijpelijk is het oordeel dat het Besluit dagloonregels werknemers-verzekeringen niet van toepassing zou zijn; (v) schending van het vrije werknemersverkeer, met name EU-Verordening (Vo.) 883/2004.
Elterngeldomdat
Elterngeldgeen loon is in de zin van art. 12 Wet Pro WIA.
Elterngeldop grond van de Duitse
BundesElterngeldGesetz(BEEG) heeft ontvangen, nu niet de BEEG maar diens voorganger (de
BundesErziehungsgeld-GesetzBerzGG) van toepassing was. De belanghebbende heeft volgens het UWV geen
Elterngeldontvangen, maar R
rziehungsgeld. Dat maakt voor het geschil echter niet uit, aldus het UWV, nu
Erziehungsgeldevenmin als
Elterngeldkan gelden als loon in de zin van art. 12 Wet Pro WIA.
Elterngeld/(Landes)erziehungsgeldresp. de ontslagvergoeding tot het loon ex art. 12 Wet Pro WIA behoren en kunnen dus wel op gegrond-heid onderzocht worden, nu het loonbegrip in de sociale verzekeringswetgeving (art. 16 Wfsv Pro) en in de Wet LB (art. 10) uniform moet worden uitgelegd. Klacht (v) stelt schending van het EU-recht en ook ter zake daarvan staat cassatie open in verband met de effectiviteit en voorrang van het EU-recht.
rechtsoordeel.
Erziehungsgeldtoe als de betrokkene (i) woon- of verblijfplaats in Duitsland heeft, (ii) in een huishouden woont met een kind voor wie de betrokkene bevoegd is te zorgen en voor wie de betrokkene ook daadwerkelijk de zorg en opvoeding op zich neemt, en (iii) geen (volledige) betaalde baan heeft. Anders dan de belanghebbende stelt, is een dienstbetrekking niet relevant. Werknemerschap is irrelevant voor de toegang tot de regelingen, behalve in negatieve zin:
alseen dienstbetrekking bestaat en ofwel het aantal uren, ofwel het loon te hoog is, vervalt de aanspraak. Ook uit het gegeven dat de belanghebbende nog enige maanden
Landeserziehungsgeldheeft genoten nadat haar dienstbetrekking al was beëindigd, bevestigt dat voor de gerechtigdheid tot het
Geldniet van belang is of de betrokkene al dan niet een dienstbetrekking heeft. Men vergelijke de Nederlandse kinderbijslag. Het door de belanghebbende op grond van de BerzGG, de BEEG en/of de
Richtlinien des Sozialministeriums für die Gewährung von Landeserziehungsgeld für Geburten und Adoptionen(RL-LErzG) genoten
Geldkan dus naar Nederlands recht niet aangemerkt worden als uit tegenwoordige dienstbetrekking genoten loon. Het
Geldis evenmin vergelijkbaar met een van de andere drie categorieën die art. 16 Wfsv Pro noemt: (ii) bedragen gebaseerd op een doorbetalingsplicht van de werkgever, (iii) uitkering op grond van een werknemersverzekering, en (iv) de toeslag die een werknemer ontvangt die geen ziekengeld ontvangt. Ik meen dat klacht (i) daarop strandt.
BNB2000/271. Ik meen daarom dat ook klacht (iii) strandt.
niet-harmoniserende Vo. 883/2004 wordt weggenomen en die evenmin het vrije verkeer van werknemers schendt nu van ongelijke behandeling geen sprake is. Ook het beroep op de Raamovereenkomst Ouderschapsverlof baat de belanghebbende niet omdat die niet ziet op haar geval. Ook klacht (v) strandt daarmee.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
Elternzeitopgenomen en van de Duitse overheid
Elterngeldontvangen. Gedurende die
Elternzeitbleef zij verzekerd voor de Duitse werknemersverzekeringen. De belanghebbende heeft na 18 oktober 2004 niet meer in loondienst gewerkt, maar zij heeft nog gewerkt als zelfstandig trainer/coach.
Elternzeit.Vanaf dat moment ontving de belanghebbende een werkloosheiduitkering krachtens de Duitse wetgeving.
voller Erwerbsminderung. De belanghebbende heeft ook in Nederland om een uitkering op basis van de Wet WIA verzocht. De feitenrechters hebben niet vastgesteld op grond waarvan zij aanspraak maakte op een WIA-uitkering. Nu zij tot 2001 in Nederland woonde en dus tot haar emigratie verzekerd was in Nederland, neem ik aan dat zij bij arbeidsongeschiktheid recht heeft op zowel een Duitse als een Nederlandse uitkering en dat die uitkeringen met elkaar verrekend worden. [1] Het UWV heeft haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 1 juli 2008. Op grond van de toekenning van de Duitse uitkering werd zij ingevolge Europese regelgeving geacht op 1 juli 2008 verzekerd te zijn geweest voor de Wet WIA. Bij besluit van 11 mei 2015 heeft het UWV haar met ingang van 1 januari 2011 aangemerkt als gerechtigd tot een WIA-uitkering. Omdat zij echter in het refertejaar 1 juli 2007 - 1 juli 2008 geen inkomen uit arbeid had genoten, was er volgens het UWV geen inkomensverlies en bedroeg de feitelijke uitkering nihil. Belanghebbendes bezwaar tegen dit besluit is afgewezen.
Elterngeld) kan alleen daarom al niet worden beschouwd als loon uit dienstbetrekking. Ex art. 8(3) Wet WIA wordt tijdens onbetaald verlof weliswaar een dienstbetrekking verondersteld, maar die uitzondering geldt hoogstens voor 18 maanden.
Elterngelden de premies die voor haar zijn afgedragen tijdens haar
Elternzeitbetaald resp. afgedragen zijn door de Duitse Staat en niet door haar werkgever, staat er volgens de Rechtbank aan in de weg om die inkomsten als loon te beschouwen. Art. 17 van Pro het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen is niet van toepassing omdat die bepaling alleen geldt voor de periode waarin een dienstbetrekking kan worden aangenomen.
Elterngeldmoet worden beschouwd als loon in de zin van art. 12 Wet Pro WIA:
3.Het geding in cassatie
Elternzeitwel degelijk gelijk gesteld moet worden met loondienst en
Elterngeldmet loon. Bij de bepaling van het dagloon moet het
Elterngelddan ook meegeteld worden. Volgens de belanghebbende kunnen alleen werknemers aanspraak maken op
Elterngelden is zij gedurende haar hele
Elternzeitwerknemer gebleven. Het
Elterngeldis inkomensafhankelijk en loongerelateerd en zij acht niet relevant welke instantie het uitkeert. Alleen op basis van verzekerd werknemerschap wordt
Elterngelduitgekeerd, en anders dan in Nederland bij ouderschapsverlof is men in Duitsland gedurende de
Elternzeitverzekerd tegen arbeidsongeschiktheid.
Elterngeld. De vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag is geregeld in art. 23(2) Wet WIA. Nu die bepaling niet wordt genoemd in art. 116(1) Wet WIA, staat volgens het UWV geen cassatieberoep open ter zake van schending of verkeerde toepassing van die bepaling. Oordelen over de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag zijn daardoor volgens het UWV aan uw cassatiecontrole onttrokken.
Elterngeldomdat het geen loon is in de zin van art. 12(1)(a) Wet WIA. Art. 5 Vo Pro. 883/2004 [6] verplicht een lidstaat, als zijn wetgeving bepaalde rechtsgevolgen toekent aan sociale-zekerheidsprestaties of andere inkomsten, om op gelijke wijze rekening te houden met gelijkgestelde prestaties die op grond van de wetgeving van een andere lidstaat zijn toegekend, en met inkomsten die in een andere lidstaat zijn verworven.
Elterngeldtelt dus mee als het aan de Nederlandse voorwaarden van het in hoofdstuk 3 Wfsv gedefinieerde loonbegrip voldoet. Onder dat loon valt (i) al hetgeen wordt genoten uit een tegenwoordige dienstbetrekking, (ii) uitkeringen ex de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), de Wet WIA en de Werkloosheidswet (WW), (iii) toeslagen op grond van de Toeslagenwet, en (iv) uitkeringen in verband met zwangerschap, bevalling, adoptie en pleegzorg op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO).
Elterngeldwordt niet genoten uit een al dan niet tegenwoordige dienstbetrekking omdat geen causaal verband bestaat met een dienstbetrekking
. Elterngeldhoudt alleen verband met zorg voor en opvoeding van kinderen: ook ouders zonder dienstbetrekking krijgen het
. Elterngeldkan evenmin gelijkgesteld worden met één van de sub (ii) genoemde werknemersuitkeringen die (wel) voortvloeien uit werken in dienstverband en (wel) worden gefinancierd uit werkgeverspremies.
Elterngeldis ook niet vergelijkbaar met een toeslag op grond van de Toeslagenwet omdat een toeslag een aanvulling is op een loondervingsuitkering tot het relevante sociaal minimum, terwijl
Elterngeldeen zelfstandige voorziening is.
Elterngeldis tenslotte evenmin gelijk te stellen met een uitkering in verband met zwangerschap etc. omdat het een voorziening is waarop zowel de vader als de moeder aanspraak kunnen maken en er alleen recht op bestaat ná de geboorte van het kind. Duitsland merkt
Elterngeldzelf aan als een gezinsbijslag.
Elterngelduit tegenwoordige dienstbetrekking heeft genoten. Verder stelt zij dat
Elterngeldin Duitsland – en daarom naar EU-recht – dezelfde status heeft als werknemersuitkeringen zoals die ex de ZW, WAO, WIA of WW.
Elterngeldis volgens haar wel degelijk een loondervingsuitkering omdat de werknemer vervangend inkomen wordt uitgekeerd tijdens de
Elternzeitverzekerd is voor alle Duitse werknemersverzekeringen.
Elterngeldheeft ontvangen op basis van de
BundesElterngeld- und ElternzeitsGesetz(BEEG). Nu zij al vóór inwerkintreding van de BEEG is bevallen, was diens voorloper van toepassing: de
Gesetz zum Erziehungsgeld und zur Elternzeit(BErzGG). Op basis van de BEzrGG heeft zij tot en met 9 maart 2007
Erziehungsgeldontvangen. Van 10 november 2007 tot en met 9 november 2008 heeft zij verder
Landeserziehungsgeldontvangen van de deelstaat Baden-Württemberg. Het UWV had daarom bij verweer moeten uitleggen waarom het
Landeserziehungsgeldevenmin loon is in de zin van art. 12 Wet Pro WIA. Om aanspraak te kunnen maken op
Landeserziehungsgeldmoet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: de betrokkene moet (i) een EU/EER-burger zijn, (ii) wonen of gewoonlijk verblijven in Baden-Württemberg, (iii) tot hetzelfde huishouden behoren als het kind dat hij gerechtigd is te verzorgen, (iv) dit kind zelf verzorgen en opvoeden, en (v) geen of geen voltijdse werkzaamheden verrichten. De regeling kent een inkomensgrens bij overschrijding waarvan het
Geldwordt verlaagd. Volgens het UWV is het
Landeserziehungsgelddus bedoeld om ouders in staat te stellen hun kind op te voeden en te verzorgen; het is een voorziening voor ouders die niet of in deeltijd werken, maar voor het recht op
Landeserziehungsgeldis het bestaan (hebben) van een dienstbetrekking geen voorwaarde. Het kan daarom niet worden beschouwd als loon uit een tegenwoordige dienstbetrekking.
pro rataWIA-uitkering is volgens het UWV niet de Duitse wetgeving van toepassing, zodat niet relevant is of de Duitse
Einkommensteuergesetz(EStG) het (
Landes)erziehungsgeldal dan niet als inkomen voor de Duitse inkomstenbelasting aanmerkt en evenmin of het (
Landes)erziehungsgeldmeetelt bij de vaststelling van een Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkering.
4.De beperking van het cassatieberoep tegen uitspraken van de CRvB
Elterngeldc.q.
Landeserziehungsgeldmeetelt als ‘loon’ in de zin van art. 12 Wet Pro WIA, dat de hoogte van de WIA-uitkering bepaalt. Art. 12 Wet Pro WIA luidt als volgt:
5.Schending van vreemd recht
Elterngelden
Landesarziehungsgeldverkeerd hebben uitgelegd, met name het karakter van die uitkeringen verkeerd hebben beoordeeld. Zij klaagt in cassatie dus mede over schending van vreemd recht.
rechtsoordeel.
6.Het uniform te interpreteren loonbegrip in art. 12 Wet Pro WIA
g, voorzover het de bedragen betreft die worden ingehouden op grond van dit hoofdstuk;
bis
aen 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat;
btot en met
h, van de Wet op de loonbelasting 1964;
a, van de Zorgverzekeringswet;
j, onder 5°, van de Wet op de loonbelasting 1964.
a, onder 1°, zijn:
a, onder 1°, geacht een uitkering te zijn.”
werknemerontvangt die geen ziekengeld ontvangt.
7.EU-recht
Gelijkstelling van prestaties, inkomsten, feiten en gebeurtenissen
Klachten (i) en (iv) (bepaling eerste ongeschiktheidsdag en toepassing dagloonregels)
9.Klacht (i): kwalificatie van het Elterngeld/(Landes)erziehungsgeld
Algemene opmerkingen
Elterngeld / Landeserziehungsgelden belanghebbendes ontslagvergoeding behoren tot het loon in de zin van art. 12 Wet Pro WIA, zodat ingevolge art. 116 Wet Pro WIA tegen dat antwoord cassatieberoep open staat met het oog op de eenheid van uitleg van het loonbegrip in de fiscale wetten en de collecterende en distribuerende regels in de sociale-zekerheidswetten.
Elterngeldc.q.
Landerziehungsgeldnaar Nederlands recht ‘loon’ is in de zin van art. 12 Wet Pro WIA hangt mede af van Duits recht, nl. van de vraag of dat
Geld, indien het onder dezelfde voorwaarden als de Duitse zou zijn uitgekeerd door een vergelijkbare Nederlandse instantie, naar Nederlands recht als ‘loon’ in de zin van art. 12 Wet Pro WIA zou gelden.
Geldnaar Duits recht loon is, althans uit tegenwoordige dienstbetrekking wordt genoten en (ii) dat Nederland een Duitse kwalificatie als ‘loon’ of ‘uit dienstbetrekking’ voetstoots moet overnemen. Dat laatste is niet het geval. Vo. 883/2004 behelst geen harmonisatie van de sociale zekerheid en Nederland kan dus zijn eigen socialeverzekeringsrecht toepassen; hij mag alleen niet Duitse uitkeringen anders behandelen dan vergelijkbare binnenlandse uitkeringen. De vraag is dus hoe het door de belanghebbende genoten
Geldzou zijn gekwalificeerd als het van de Nederlandse overheid zou zijn genoten. Het onder Nederlands recht te kwalificeren karakter van het
Geldwordt mede bepaald door Duits recht, de schending waarvan echter geen grond is voor cassatie (zie onderdeel 5.8 hierboven).
Geldnaar Duits recht niet uit tegenwoordige dienstbetrekking werd genoten en evenmin vergelijkbaar was met een van de andere drie categorieën van inkomen die in art. 12 Wet Pro WIA/art. 16 Wfsv Pro worden genoemd (zie 6.5 hierboven), kan het niet als ‘loon’ in de zin van art. 12 Wet Pro WIA beschouwd worden.
Geldterecht niet als loon naar Nederlands recht heeft aangemerkt, staat te uwer beoordeling, maar de uitleg van Duits recht die de CRvB aan zijn kwalificatie onder Nederlands recht ten grondslag heeft gelegd, staat niet te uwer beoordeling; is althans geen cassatiegrond. Zoals boven (4.11, 5.8 en 5.9) betoogd, belet echter niets u om diens uitleg van Duits recht aan een begrijpelijkheidsoordeel te onderwerpen en is dat ook wenselijk uit het oogpunt van rechtseenheid waarvoor de door de belanghebbende benutte cassatiemogelijkheid is bedoeld.
Gesetz zum Erziehungsgeld und zur Elternzeit (Bundeserziehungsgeldgesetz -BErzGG [33] ), die heeft gegolden tot 1 januari 2015.
Bundeserziehungsgeldis dus geen dienstbetrekking vereist; integendeel: vereist is juist dat
nietof hoogstens deeltijds aan het arbeidsproces wordt deelgenomen.
Erziehungsgeld:
Bundeselterngeldaan:
Elterngeld:
alser voorgeboortelijk arbeidsinkomen is, het Elterngeld daarvan een bepaald percentage bedraagt en dat het maximum bereikt wordt als juist géén inkomsten uit arbeid werden/worden genoten.
Landeserziehungsgeldaanvragen. Dat is geen federale, maar een regeling van de
Länder, in casu het
LandBaden-Württemberg, neergelegd in de
Richtlinien des Sozialministeriums für die Gewährung von Landeserziehungsgeld für Geburten und Adoptionen(RL-LerzG). [35] Art. 3 RL Pro-LerzG wijst de begunstigden aan:
Landeserziehungsgelden de inkomensplafonds waarboven er geen aanspraak meer op bestaat:
alseen dienstbetrekking bestaat en ofwel het aantal uren, ofwel het loon is te hoog, vervalt de aanspraak. Ook het gegeven dat de belanghebbende nog enige maanden
Landeserziehungsgeldheeft genoten nadat haar dienstbetrekking al was beëindigd, bevestigt dat voor de gerechtigdheid tot het
Geldniet van belang is of de betrokkene al dan niet een dienstbetrekking heeft.
Geldkan dus naar Nederlands recht niet aangemerkt worden als uit tegenwoordige dienstbetrekking genoten.
Geldvergelijkbaar is met een van de andere drie categorieën die art. 16 Wfsv Pro noemt (zie 6.5): (ii) bedragen gebaseerd op een doorbetalingsplicht van de werkgever, (iii) uitkering op grond van een werknemersverzekering (ZW, WAO, Wet WIA , Wet arbeid en zorg, WW of wachtgeld), en (iv) de toeslag die een werknemer ontvangt die geen ziekengeld ontvangt. Categorie (ii) valt aanstonds af, nu het niet de werkgever is die het
Geldbetaalt, laat staan op basis van een arbeidsrechtelijke doorbetalingsverplichting bij ziekte of ontstentenis. Van een uitkering op basis van een werknemersverzekering is evenmin sprake, nu het
Geld, zoals bleek, ook – juist – wordt toegekend aan verzorgende ouders die geen werknemer zijn (geweest). Van een toeslag die een werknemer ontvangt in plaats van ziekengeld is evenmin sprake.
Elterngelden het
Erziehungsgeldkunnen mijns inziens het beste vergeleken worden met de Nederlandse kinderbijslag, die niet meetelt voor het loon in de zin van art. 12 Wet Pro WIA. De kinderbijslag [36] is een tegemoetkoming in de onderhoudskosten van een kind voor iedereen die in Nederland woont of er niet woont, maar er in dienstbetrekking werkt en wordt niet genoemd in art. 16 Wfsv Pro. Zou men de mijns inziens minder accurate vergelijking maken met de kinderopvangtoeslag, [37] dan wordt het niet anders: die toeslag wordt evenmin genoemd in art. 16 Wfsv Pro. Hetzelfde geldt voor het kindgebonden budget [38] : een inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen bovenop de kinderbijslag, die evenmin genoemd wordt in art. 16 Wfsv Pro.
Eltern- of
Erziehungsgeldten grondslag heeft gelegd, dat oordeel niet voor cassatie in aanmerking komt, nu zijn Nederlandsrechtelijke kwalificatie, uitgaande van die geenszins onbegrijpelijke uitleg, rechtskundig juist is.
10.Klacht (iii): kwalificatie van de ontslagvergoeding
BNB2000/271 [39] betrof de vraag of een fondsuitkering uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking werd genoten. De ondernemingsraad van A BV had een VUT-stichting opgericht. De belanghebbende had daarna de aandelen A BV gekocht. De VUT-stichting werd in verband daarmee geliquideerd. Het batige saldo werd uitgekeerd aan A’s werknemers die ten tijde van de liquidatie in dienst waren. In geschil was of de uitkeringen loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking waren. In het eerste geval zouden zij volgens art. 4 CSV Pro premieloon zijn; in het laatste geval zouden zij buiten het loonbegrip van de CSV vallen. De Rechtbank en de CRvB meenden dat het om loon uit tegenwoordige dienstbetrekking ging. De belanghebbende stelde cassatieberoep in. U overwoog:
11.Klacht (v): schending van EU-recht
Mora Romero(zaak nr. C-131/96, arrest van 25 juni 1997,
PbEGvan 16 augustus1997, C 331). In dit arrest stelde het Hof van Justitie vast, dat wanneer de wetgeving van een Lidstaat voorziet in verlenging van de uitkeringsduur van wezenrente voor wezen, die ouder zijn dan 25 jaar, indien hun opleiding wegens vervulling van de dienstplicht is onderbroken, deze staat de in een andere Lidstaat vervulde dienstplicht moet gelijkstellen met de krachtens zijn eigen wetgeving vervulde dienstplicht. De uitgangspunten voor deze gelijkstelling werden door het Hof herhaald in de zaak-
Duchon(nr. C-290/00, arrest van 18 april 2002,
PbEGvan 15 juni 2002, C 144). In dit arrest sprak het Hof van Justitie uit dat een wettelijke regeling, die formeel weliswaar zonder onderscheid van nationaliteit van toepassing is op iedere werknemer uit de Gemeenschap, die aldus onder de hierin gestelde voorwaarden aanspraak kan maken op verlenging van de referentieperiode, voor zover verlenging niet mogelijk is wanneer zich in een andere lidstaat feiten of omstandigheden, zoals de betaling van renten wegens een arbeidsongeval, voordoen welke tot verlenging zouden kunnen leiden, toch aanzienlijk nadeliger kan uitvallen voor migrerende werknemers, aangezien het vooral deze laatsten zijn die, met name in geval van invaliditeit, geneigd zijn naar hun land van herkomst terug te keren. In deze omstandigheden verzetten artikel 48, lid 2 en 51 van het Verdrag zich tegen een nationale wettelijke regeling die onder bepaalde voorwaarden een verlenging van de referentieperiode op grond van bepaalde feiten of omstandigheden toestaat, maar niet indien de feiten of omstandigheden op grond waarvan de verlenging mogelijk zou zijn, zich in een andere Lidstaat voordoen. Dat de gelijkstelling niet onbeperkt is sprak het Hof uit in het arrest
Adanez-Vega(zaak nr. C-372/02, arrest van 1 november 2004,
PB EGvan 22 januari 2005, C 19).”
Elterngeldop dezelfde wijze in aanmerking neemt bij de bepaling van het WIA-loon als hij vergelijkbare binnenlandse prestaties (zoals de kinderbijslag) in aanmerking neemt. Nederland moet doen alsof het
Elterngeldbinnenslands is uitgekeerd. Dat heeft Nederland gedaan, zodat art. 5 Vo Pro. 883/2004 is nageleefd in plaats van geschonden.
Elterngeldin Duitsland wél als loon, althans berekeningsbasis, zou gelden bij de bepaling van de hoogte van Duitse arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, en dat ook dat uitgangspunt van de belanghebbende mij onjuist lijkt: ook naar Duits recht is, zoals boven bleek, werknemerschap geen voorwaarde voor het recht op
Eltern- of
Erziehungsgeld. Dat een persoon die het geniet en gewerkt heeft in het Duitse stelsel mogelijk verzekerd blijft tegen arbeidsongeschiktheid en daarvoor premie betaalt, maakt het
Geldook in Duitsland nog geen loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, noch een loonvervangende uitkering. Het is niet aannemelijk dat
Elterngeldmeetelt als gederfd inkomen bij de bepaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, gegeven dat het ook toekomt aan ouders die nooit betaald hebben gearbeid.
werkgevereen werknemer ongunstiger behandelt nadat/omdat die werknemer ouderschaps-verlof heeft opgenomen: