ECLI:NL:CRVB:2016:1328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 april 2016
Publicatiedatum
13 april 2016
Zaaknummer
14/5246 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 1 BDWArt. 3 BDWArt. 4 BDWArt. 26 BDW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vaststelling dagloon zonder operationele toelage en piketvergoeding bij buitengewoon verlof

Appellant, werkzaam als rechercheur, kreeg buitengewoon verlof wegens een strafrechtelijk onderzoek, waarbij hij geen operationele toelage en piketvergoeding ontving. Na beëindiging van het verlof wegens onterechte beschuldigingen viel hij uit wegens psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op €156,40, zonder de niet-ontvangen toelagen mee te rekenen.

Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling, stellende dat het dagloon hierdoor te laag was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het UWV terecht uitging van het loon in de referteperiode. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt en verwees naar eerdere jurisprudentie over het welvaartsniveau.

De Raad oordeelt dat het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen (BDW) van toepassing blijft op uitkeringen met recht op uitbetaling voor 1 juni 2013. Het buitengewoon verlof betrof geen verlof in de zin van het BDW, omdat het geen tussen werkgever en werknemer overeengekomen verlof was. Daarom mocht het UWV het dagloon baseren op het daadwerkelijk genoten loon in de referteperiode, inclusief de periode zonder operationele toelage en piketvergoeding.

De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het dagloon wordt bevestigd op €156,40 zonder rekening te houden met niet-ontvangen toelagen tijdens buitengewoon verlof.

Uitspraak

14/5246 WIA
Datum uitspraak: 13 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
8 augustus 2014, 13/2706 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.R.V.L. Kicken hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een nader stuk ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als rechercheur bij de politieregio [regio] . Met ingang van 10 mei 2010 is appellant door zijn werkgever bij wijze van ordemaatregel buitengewoon verlof verleend in verband met een strafrechtelijk onderzoek dat naar hem was ingesteld. Gedurende de periode van buitengewoon verlof heeft appellant geen (vaste) operationele toelage en geen piketvergoeding van zijn werkgever ontvangen. Nadat gebleken was dat appellant ten onrechte van strafbare feiten was beschuldigd, is het buitengewoon verlof beëindigd.
1.2.
Appellant is op 15 april 2011 uitgevallen voor zijn werkzaamheden wegens psychische klachten. Op 21 januari 2013 heeft hij bij het Uwv een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.3.
Bij besluit van 22 februari 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 12 april 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, waarbij het dagloon is vastgesteld op
€ 156,40.
1.4.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het bezwaar was onder meer gericht tegen de hoogte van het vastgestelde dagloon. Volgens appellant heeft het Uwv bij de vaststelling van het dagloon ten onrechte geen rekening gehouden met zijn (vaste) operationele toelage en zijn piketvergoeding. Hierdoor is zijn dagloon te laag vastgesteld.
1.5.
Bij besluit van 5 augustus 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv in het geval van appellant terecht uitgegaan van het dagloon dat hij in de referteperiode heeft genoten en heeft het Uwv op goede gronden besloten het dagloon van appellant vast te stellen op € 156,40.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald. Hij heeft benadrukt dat in goed overleg met zijn werkgever is besloten om hem buitengewoon verlof te verlenen, maar dat dit wel consequenties had voor zijn loon, omdat hij gedurende het bijzonder verlof zijn (vaste) operationele toelage en zijn piketvergoeding miste. Hierdoor heeft hij in het refertejaar een lager loon ontvangen dan hij normaal gesproken ontving. Gedurende de periode dat appellant vervolgens ziek is geweest heeft zijn werkgever zijn loon weer verhoogd. Appellant heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 23 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4335), betoogd dat het door het Uwv vastgestelde dagloon geen redelijke weerspiegeling vormt van zijn welvaartsniveau. Appellant had zowel voor als na de door het Uwv vastgestelde referteperiode een hoger inkomen.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op 1 juni 2013 is het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen in werking getreden
(Stb. 2013, 186). Uit artikel 26, tweede en vierde lid, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (BDW) volgt dat het BDW van toepassing blijft op uitkeringen op grond van de Wet WIA waarvan recht op uitbetaling bestaat voor de datum van intrekking van het BDW. Aangezien in dit geval vóór 1 juni 2013 recht op uitbetaling op grond van artikel 67 van Pro de Wet WIA bestaat, heeft het Uwv het dagloon terecht gebaseerd op het BDW.
4.2.
Uit artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, voor zover van belang, volgt dat voor de berekening van een WIA-uitkering als dagloon wordt beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, is ingetreden. Uit artikel 3, eerste lid, van het BDW volgt dat het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten, leidend is voor de vaststelling van het dagloon.
4.3.
Artikel 4, eerste lid, van het BDW bepaalt, voor zover van belang, dat, indien in het refertejaar door de werknemer in een aangiftetijdvak geen loon of minder loon is genoten in verband met verlof, bij het vaststellen van het loon in dat aangiftetijdvak in aanmerking wordt genomen het loon, genoten bij dezelfde werkgever in het laatste aan dat verlof voorafgaande en in het refertejaar gelegen aangiftetijdvak, waarin die situatie zich niet heeft voorgedaan.
4.4.
Op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, van het BDW wordt in dat besluit onder verlof verstaan: een tussen de werkgever en werknemer voor een gedeelte of het geheel van de arbeidstijd overeengekomen periode van verlof, waarin de werknemer geen arbeid jegens de werkgever verricht.
4.5.
Tijdens de referteperiode, die liep van 1 april 2010 tot 1 april 2011, is appellant vanaf
10 mei 2010 buitengewoon verlof verleend. Het oordeel van de rechtbank dat dit geen verlof betreft als omschreven in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder t, van het BDW wordt onderschreven. Het aan appellant verleende buitengewoon verlof betrof een ordemaatregel in afwachting van de uitkomst van het tegen hem ingestelde strafrechtelijk onderzoek. Van een tussen werkgever en werknemer overeengekomen periode van verlof was geen sprake. Daaraan doet niet af dat appellant noodgedwongen heeft ingestemd met dit buitengewoon verlof.
4.6.
Het Uwv heeft het dagloon daarom op goede gronden gebaseerd op het loon van
1 april 2010 tot 1 april 2011, waarin appellant (gedeeltelijk) geen (vaste) operationele toelage en geen piketvergoeding ontving.
4.7.
De door appellant genoemde uitspraak van de Raad van 23 november 2012 (zie 3.1) leidt niet tot een ander oordeel. In deze uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat met invoering van het historisch dagloon het loondervingsbeginsel is verlaten. Overwogen is dat door uit te gaan van genoten loon, opgetreden loonmutaties ook doorwerken in het dagloon en daarmee wordt recht gedaan aan het principe dat is gelegen in de hoofdregel van artikel 13, eerste lid, van de Wet WIA, namelijk dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven van het welvaartsniveau van de betrokken werknemer. Het Uwv heeft het dagloon terecht gebaseerd op het in het refertejaar daadwerkelijk door appellant genoten loon.
4.8.
Uit wat onder 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 april 2016.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) B. Dogan

NK