Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Deel C: Uit te voeren onderzoeksmaatregel(en)
(…)
Doorzoeking van de woning van de beschuldigde in Venlo.
(…)
Deel G: Gronden voor de uitvaardiging van het EOB
1. Overzicht van de feiten
(…)
Overeenkomstig het opsporingsonderzoek tot dusver bestaat tegen de beschuldigde [klager], handelend tenminste tegenover het bedrijf [A] Gesellschaft mit beschränkter Haftung ([A] GmbH) onder de persoonsgegevens van de getuige [betrokkene 1] de verdenking van opzettelijk witwassen van geld (paragraaf 261 lid 1 cijfer 4 van het Duitse Wetboek van Strafrecht (StGB)).
De getuige [betrokkene 1] is sedert 09 oktober 2019 rekeninghouder van de bankrekening [002] bij de Commerzbank Aktiengesellschaft. Op de bankrekening kwamen van de kant van twee verschillende personen gedurende de periode van 16 oktober 2019 tot en met 17 oktober 2019 in totaal tenminste de volgende bedragen binnen:
- [benadeelde 1] 50.000 EUR (zes overschrijvingen)
- [benadeelde 2] 5.000 EUR (één overschrijving)
Totaal: 55.000 EUR
Bovendien werd op 16/17 oktober 2019 gepoogd om nog twee overschrijvingen ten laste van de bankrekening van de benadeelde [benadeelde 2] ter hoogte van nog eens 5.000 EUR en nog eens 10.000 EUR ten bate van de bankrekening van de getuige [betrokkene 1] teweeg te brengen, hetgeen mislukte.
Van de binnengekomen bedragen werd respectievelijk op dezelfde dag van het binnenkomen van de overschrijving 30.000 EUR op de bankrekening [003] bij de solarisBank, die als referentierekening voor voor de zogenaamde “Bison-App” dient, overgemaakt. Door middel van deze “Bison-App” kocht een onder de naam van de getuige [betrokkene 1] agerende onbekende persoon, waarbij het overeenkomstig de situatie aangaande de verdenking om de beschuldigde [klager] gaat, crypto-valuta bij de [A] GmbH, concreet Bitcoin (BTC), met een volume van 4,12 BTC. Deze dienden naar een andere Wallet (“portemonnee”) van een andere onbekende derde overgemaakt te worden. De [A] GmbH had dienaangaande inmiddels aangifte gedaan vanwege de verdenking van het witwassen van geld en heeft deze geplande transactie gestopt.
Nog eens 25.100 EUR werd op een bankrekening van ene [betrokkene 2] bij de Fidor-Bank overgemaakt, van waaruit het geld tevens rechtstreeks in crypto-valuta overgemaakt werd. Inzoverre werd van de kant van de Fidor-Bank tevens aangifte gedaan vanwege de verdenking van het witwassen van geld bij de Duitse FIU, die ondertussen niet aan de strafvervolgingsautoriteiten doorgestuurd werd.
Tot nu toe konden dankzij pandingsmaatregelen vermogenswaarden ter hoogte van circa 26.600 EUR voorlopig veiliggesteld worden.
Er bestaat de verdenking dat de bovenstaand genoemde personen slachtoffer van beroepsmatige (computer-)oplichtingsfeiten (paragraaf 263a lid 1 en 2 c.q. paragraaf 263 lid 1 in combinatie met paragraaf 263 lid 3 cijfer 1 van het Duitse Wetboek van Strafrecht) zijn geworden. De benadeelden [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben respectievelijk aangifte gedaan, omdat hun bankrekeningen ten onrechte belast zijn. Het tot dusver vastgestelde gebeuren duidt erop dat er sprake van frauduleus gedrag is, met het oog op het niet alleen tijdelijke verkrijgen van niet onaanzienlijke inkomsten, in het nadeel van de verschillende benadeelde, van de kant van de nog onbekende dader. Het gebeuren laat conclusies toe dat de op naam van de getuige [betrokkene 1] geopende bankrekeningen slechts voor versluieringsdoeleinden voor het verdere overmaken van geld uit strafbare feiten geopend en gebruikt werd en dat dankzij de transacties via de bankrekeningen van de getuige [betrokkene 1] tenminste het veiligstellen van de winsten opgrond vande oplichting in gevaar gebracht wordt. De daadwerkelijk in het kader van het bijhouden van de op naam van de getuige [betrokkene 1] geopende bankrekeningen alsmede van de Wallet bij de [A] GmbH handelende personen staan om die reden tenminste onder de verdenking om het feit van opzettelijk witwassen van geld vervuld te hebben.
Door middel van een e-mail vanuit het e-mail account “[geboortedatum]” van 23 juni 2020 vroeg een om te beginnen onbekende persoon om het uitbetalen van een vermeend nog bestaand crypto-valuta tegoed op een vermeend aan de getuige [betrokkene 1] toebehorende Litouwse bankrekening [001] bij de Trustcom Financial UAB. De feitelijke rekeninghouder van deze Litouwse bankrekening is de beschuldigde [klager], wiens juiste persoonsgegevens en adres als gegevens van de financiëel gerechtigden achterlegd zijn.
Uit de bewaking van het e-mail account bleek dat gedurende de bewakingsperiode om te beginnen slechts toegang door IP-adressen werd verkregen, die bij Nederlandse aanbieders horen. De laatste keren dat toegang werd verkregen (op het laatst op 12 augustus 2020) hadden vanuit Duitse IP-adressen plaats, die bij het netwerk “VPN-Consumer-Network” horen, hetgeen op een doelgerichte versluiering van de identiteit duidt. De in Nederland ingeschreven beschuldigde [klager] werd overeenkomstig de informatie verstrekt door de Nederlandse autoriteiten op 08 augustus 2020 bij de luchthaven Amsterdam-Schiphol vanwege een SIS-opsporing gedurende de immigratie aangehouden en later voorwaardelijk vrijgelaten.
Hieruit resulterend bestaat om die reden overeenkomstig de stand van het opsporingsonderzoek tot dusver tegen de beschuldigde [klager], handelend onder de persoonsgegevens van de getuige [betrokkene 1] de verdenking van opzettelijk witwassen van geld (paragraaf 261 lid 1 cijfer 4 van het Duitse Wetboek van Strafrecht (StGB)).
Teneinde deze strafbare handelingen te kunnen bewijzen, zijn met name de door de beschuldigde actueel gebruikte elektronische apparaten noodzakelijk. Er dreigt bewijsmiddelverlies, aangezien de door de beschuldigde gebruikte elektronische apparaten bij de overlevering van de beschuldigde waarschijnlijk niet langer aanwezig zullen zijn.”
De Duitse autoriteiten wensen onderzoek te verrichten aan deze goederen, echter kunnen zij dit onderzoek pas doen zodra zij de goederen van ons ontvangen hebben. De overdracht vindt echter pas plaats nadat er onherroepelijk is beslist op het klaagschrift (zie art. 5.4.9 Sv). De goederen