Conclusie
Nummer21/02619 H
De herzieningsaanvraag
De aanvraag en de beoordeling van de ontvankelijkheid daarvan
Keskin tegen Nederland. [2] In de aanvraag wordt naar voren gebracht dat het EHRM in deze uitspraak heeft vastgesteld dat art. 6, eerste lid in samenhang met het derde lid onder d, EVRM is geschonden in de procedure die tot de veroordeling van de aanvrager heeft geleid. Die schending bestaat erin dat de aanvrager niet een effectieve en behoorlijke mogelijkheid heeft gehad om zeven getuigen te ondervragen die een voor de aanvrager belastende verklaring hebben afgelegd. Een goede reden voor het achterwege laten van het oproepen en horen van de getuigen ontbrak, terwijl de verklaringen van deze getuigen volgens het EHRM ‘decisive’ zijn geweest voor de veroordeling van de aanvrager en geen sprake was van voldoende compenserende factoren. Volgens de aanvrager brengt de door het EHRM vastgestelde schending van art. 6 EVRM Pro mee dat herziening noodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in art. 41 EVRM Pro en ligt – na gegrondverklaring van de aanvraag – een verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof in de rede zodat de schending van art. 6 EVRM Pro mogelijk hersteld kan worden “door bijvoorbeeld in een nieuw proces de getuigen alsnog door de aanvrager te laten ondervragen”.
Keskin tegen Nederlandbetreft de procedure die heeft geleid tot de onherroepelijke veroordeling van de aanvrager bij arrest van 30 september 2014 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De uitspraak is op 19 april 2021 definitief geworden. De aanvraag is ingekomen op 23 juni 2021. Daaruit volgt dat de aanvraag binnen de in art. 465, tweede lid, Sv bedoelde termijn is ingediend. [3] Dat betekent dat aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid als bedoeld in art. 465, eerste en tweede lid, Sv is voldaan.
De zaak van Keskin tegen Nederland
Keskin tegen Nederlandnoodzakelijk is met het oog op rechtsherstel als bedoeld in art. 41 EVRM Pro. Voor de beantwoording van die vraag is het van belang opnieuw [4] aandacht te besteden aan de zaak van
Keskin tegen Nederlanden aan verschillende overwegingen van het EHRM in de uitspraak in die zaak.
bij uitspraakeen schending van het EVRM heeft vastgesteld in de procedure die tot de onherroepelijke uitspraak van de Nederlandse rechter in de strafzaak van de aanvrager heeft geleid (zie par. 30-31). [5]
De inhoudelijke beoordeling van de aanvraag
Papamichalopoulos e.a. tegen Griekenlandoverwoog het EHRM dat art. 46 EVRM Pro meebrengt dat een einduitspraak van het Hof waarin een verdragsschending is vastgesteld voor de betrokken verdragsluitende partij een verplichting doet ontstaan “to put an end to the breach and make reparation for its consequences in such a way as to restore as far as possible the situation existing before the breach”. [7] De verdragsluitende staat is aldus verplicht om herstel te bieden voor door het Hof vastgestelde schendingen van dat verdrag. De wijze waarop het vereiste herstel moet worden geboden, is in beginsel aan de verdragsluitende partij, maar als de verdragsschending zich vanwege haar aard laat herstellen door
restitutio in integrumdan is het aan de staat om dat herstel te realiseren. [8] Het doel van
restitutio in integrumis om de klager zo veel mogelijk in een positie te brengen waarin hij zou zijn geweest als het EVRM door de verdragsluitende staat was nageleefd, zo overwoog de Grote Kamer van het Hof in de uitspraak in de zaak
Ilgar Mammadov tegen Azerbeidzjan. [9] Rechtsherstel in de vorm van
restitutio in integrummoet volgens het Hof dan ook het primaire doel van de staat zijn nadat een verdragsschending is vastgesteld. [10] Herstel door middel van de in art. 41 EVRM Pro geregelde toekenning door het Hof van ‘just satisfaction’ is zodoende gereserveerd voor gevallen waarin het verschaffen van
restitutio in integrumop nationaal niveau niet mogelijk is. [11]
Keskin tegen Nederland. Het Hof overwoog dat “as a rule, where a violation of Article 6 of the Convention is found, a retrial or the reopening of the proceedings, if requested, represents in principle the most appropriate form of redressing that violation” (par. 29 en 81). In deze lijn volstaat het Hof onder verwijzing naar de in de art. 457, eerste lid, aanhef en onder b, Sv neergelegde grond voor herziening in de zaak van klager Keskin met de enkele vaststelling dat art. 6 EVRM Pro is geschonden en kent het niet de door de Keskin gevorderde schadevergoeding als ‘just satisfaction’ in de zin van art. 41 EVRM Pro toe. [12]
Windisch tegen Oostenrijk, [16] waarin het EHRM tot de conclusie kwam dat in een bijna volledige
restitutio in integrumwas voorzien toen klager Windisch in een nieuwe procedure werd berecht nadat ten aanzien van de eerdere berechting was vastgesteld dat deze in strijd was met art. 6 EVRM Pro omdat de veroordeling in de eerdere zaak in belangrijke mate op twee anonieme getuigenverklaringen berustte. [17] De minister leidt hieruit af dat de toevoeging van de herzieningsgrond die nu in art. 457, eerste lid, aanhef en onder b, Sv is neergelegd ertoe kan bijdragen dat in het kader van art. 41 EVRM Pro “geen of een lagere genoegdoening behoeft te worden betaald aan de klager die, na herziening, opnieuw wordt veroordeeld”. [18] Volgens de minister is dat niet zozeer vanuit financieel oogpunt van belang, maar vooral uit rechtvaardigheidsoverwegingen. De minister noemt voorts als reden voor toevoeging van de hier bedoelde herzieningsgrond dat deze kan bijdragen aan de eerbiediging van de in art. 46 EVRM Pro neergelegde verplichting tot naleving van einduitspraken van het EHRM.
Windisch tegen Oostenrijk– waarin de schending van art. 6 EVRM Pro bestond in het in belangrijke mate baseren van de veroordeling op anonieme getuigenverklaringen – en het als voorbeeld genoemde geval dat de schending bestaat in het ten onrechte niet door een rechter horen van een getuige, laten zien dat herziening met het oog op rechtsherstel ook in de hier voorliggende zaak in lijn is met de geschiedenis van de totstandkoming van de bedoelde grond voor herziening. [20]