Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:2412

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 september 2017
Publicatiedatum
19 september 2017
Zaaknummer
17/02060
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3 OpiumwetArt. 471 SvArt. 472 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening wegens schending aanwezigheidsrecht bij medeplegen zware mishandeling en vrijheidsberoving

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2010, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van zware mishandeling met de dood tot gevolg, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en overtreding van de Opiumwet. De veroordeling berustte op een procedure waarin het aanwezigheidsrecht van de verdachte, die in Noorwegen was gedetineerd, werd geschonden.

De aanvraag tot herziening is gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 14 februari 2017, waarin werd vastgesteld dat artikel 6, eerste en derde lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) was geschonden in de oorspronkelijke procedure. Dit betreft het recht op een eerlijk proces, met name het recht van de verdachte om aanwezig te zijn tijdens zijn berechting.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond moest verklaren, de tenuitvoerlegging van het arrest moest opschorten of schorsen en de zaak moest verwijzen naar een ander gerechtshof voor hernieuwde berechting. De Hoge Raad volgde deze conclusie en besloot de aanvraag tot herziening gegrond te verklaren, de tenuitvoerlegging van het arrest op te schorten en de zaak te verwijzen naar het Gerechtshof Den Haag.

Hierdoor wordt het eerdere arrest van het Gerechtshof Amsterdam vernietigd en wordt de zaak opnieuw behandeld, met inachtneming van het aanwezigheidsrecht van de verdachte, zodat rechtsherstel kan plaatsvinden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting naar het Gerechtshof Den Haag.

Uitspraak

19 september 2017
Strafkamer
nr. S 17/02060 H
CB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 juni 2010, nummer 23/003544-07, ingediend door N. Hendriksen, advocaat te Purmerend, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Alkmaar van 15 mei 2007 - de aanvrager ter zake van 1. "medeplegen van zware mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft", 2. "medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden" en 4. "de eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren.

2.De aanvraag tot herziening

2.1.
De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2.
De aanvraag is onder meer gebaseerd op een naar aanleiding van een klacht van de aanvrager gedane uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 14 februari 2017, no. 30749/12, waarin is vastgesteld dat art. 6, eerste en derde lid aanhef en onder c, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid.

3.De conclusie van de Advocaat-Generaal

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van de in de aanvraag vermelde uitspraak zal bevelen en de zaak op de voet van art. 472, eerste lid, in verbinding met art. 471, eerste lid, Sv zal verwijzen naar een ander Gerechtshof.

4.Beoordeling van de aanvraag

Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden is de aanvraag gegrond, zodat de overige gronden waarop de aanvraag steunt geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op de voet van art. 472, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 september 2017.