ECLI:NL:HR:2013:CA1782
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- V. van den Brink
- Rechtspraak.nl
Herziening van veroordeling wegens schending van art. 6 EVRM in Opiumwetzaak
De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2004, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. De veroordeling betrof een gevangenisstraf van vier jaar en negen maanden, later verminderd tot vier jaar en drie maanden door de Hoge Raad.
De aanvraag tot herziening is gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 juli 2012, waarin werd vastgesteld dat in de oorspronkelijke strafprocedure sprake was van een schending van artikel 6, eerste en derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Deze bepalingen waarborgen het recht op een eerlijk proces.
De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond moest verklaren en de zaak moest verwijzen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde het eerdere arrest, waarbij tevens de opschorting van de tenuitvoerlegging van het eerdere arrest werd bevolen.
De zaak wordt nu op grond van artikel 472, eerste lid, in verbinding met artikel 471 van Pro het Wetboek van Strafvordering opnieuw behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Hiermee wordt het recht op rechtsherstel gewaarborgd na de vastgestelde schending van het EVRM.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde behandeling.