Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:CA1782

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
12/05222 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 2 OpiumwetArt. 471 SvArt. 472 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van veroordeling wegens schending van art. 6 EVRM in Opiumwetzaak

De zaak betreft een aanvraag tot herziening van een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2004, waarin de aanvrager werd veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. De veroordeling betrof een gevangenisstraf van vier jaar en negen maanden, later verminderd tot vier jaar en drie maanden door de Hoge Raad.

De aanvraag tot herziening is gebaseerd op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 juli 2012, waarin werd vastgesteld dat in de oorspronkelijke strafprocedure sprake was van een schending van artikel 6, eerste en derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Deze bepalingen waarborgen het recht op een eerlijk proces.

De Advocaat-Generaal concludeerde dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond moest verklaren en de zaak moest verwijzen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe behandeling. De Hoge Raad volgde dit advies en vernietigde het eerdere arrest, waarbij tevens de opschorting van de tenuitvoerlegging van het eerdere arrest werd bevolen.

De zaak wordt nu op grond van artikel 472, eerste lid, in verbinding met artikel 471 van Pro het Wetboek van Strafvordering opnieuw behandeld door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. Hiermee wordt het recht op rechtsherstel gewaarborgd na de vastgestelde schending van het EVRM.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

4 juni 2013
Strafkamer
nr. S 12/05222 H
DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 13 december 2004, nummer 21/004428-03, ingediend door mr. G. Meijers, advocaat te Amsterdam, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank Utrecht van 5 september 2003 - voor zover aan 's Hofs oordeel onderworpen - de aanvrager ter zake van "het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en negen maanden. De Hoge Raad heeft bij arrest van 6 juni 2006, LJN AV1633, NJ 2006/332, de duur van de opgelegde gevangenisstraf verminderd in die zin dat deze vier jaren en drie maanden beloopt, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. De aanvraag tot herziening
2.1. De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvraag is gebaseerd op een naar aanleiding van een klacht van de aanvrager gedane uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens van 10 juli 2012, no. 29353/06, waarin is vastgesteld dat art. 6, eerste en derde lid aanhef en onder d, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn geschonden in de procedure die tot de veroordeling heeft geleid.
3. De conclusie van de Advocaat-Generaal
De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch opdat de zaak op de voet van art. 471 Sv Pro opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.
4. Beoordeling van de aanvraag
Op de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie vermelde gronden is de aanvraag gegrond, zodat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvraag tot herziening gegrond;
vernietigt de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld arrest van het Gerechtshof;
verwijst de zaak op de voet van art. 472, eerste lid, in verbinding met art. 471 Sv Pro naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J.W. Ilsink en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2013.
Mr. Ilsink is buiten staat dit arrest te ondertekenen.