Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
2. De taxatie van de grond van 18 mei 2011 is om aan te tonen dat het een juist verhaal is. In India is onroerend goed booming business. Bij het rechtshulpverzoek is door het Openbaar Ministerie geen aanvullend verzoek gedaan en er zijn geen nadere vragen gesteld terwijl de uitkomsten er al lagen. Het originele document van de aankoop is beschikbaar gesteld;
beyond reasonable doubt) moet komen vast te staan dat de verdachte het feit heeft begaan”, de bij voorwaardelijk opzet vereiste ‘aanmerkelijke kans’ en het bij herziening ten voordele geldende ‘ernstig vermoeden’, wordt in het middel het standpunt betrokken dat ‘het niet anders kan zijn dat’ duidt op ‘een zeer hoge mate van waarschijnlijkheid’. In het andere geval zou – aldus het middel – een formulering als ‘buiten redelijke twijfel staat dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’ of ‘hoogstwaarschijnlijk is dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’ zich beter laten denken.
Daarvan uitgaandewordt het oordeel van het hof onbegrijpelijk gevonden, althans wordt de verwerping van het verweer dat het aangetroffen geld afkomstig is uit India (zijnde de opbrengst van de verkoop van een stuk grond) , ontoereikend gemotiveerd bevonden. Vervolgens worden de hiervoor als (G) en (H) genummerde onderdelen uit de bewijsoverweging geciteerd. Betoogd wordt dat “(d)e omstandigheden die het hof in de richting van een bewezenverklaring hebben doen bewegen, (…) hoofdzakelijk
circumstantialvan aard (zijn).” Het zou “niet meer dan een vermoeden” zijn dat (i) het moeilijk voorstelbaar is dat de vader van de medeverdachte een stuk grond schenkt aan de ene zoon en dat de andere kinderen daartegen geen bezwaar zouden hebben, (ii) de medeverdachte heeft gewacht met verklaren en (iii) het geld werd ‘opgedeeld’ in kleine porties.
circumstantialgekwalificeerde punten ten grondslag heeft gelegd, gaat hij eraan voorbij dat het hof onder (G) en (H) nog veel meer heeft overwogen. Het hof heeft in dit verband immers ook gewezen op het verschil tussen de verklaring van de medeverdachte bij de politie en diens verklaring ter zitting van het hof, op de in de loods van het WFC aangetroffen coupures van € 200,- en € 500,-, op de omstandigheden waaronder dat geld is aangetroffen, op de onduidelijke verklaringen die de medeverdachte heeft afgelegd over de bestemming van het geld (t.w. de aankoop van een hotel in Amsterdam), en op de door het hof als ongeloofwaardige aangemerkte, uit India afkomstige, schriftelijke verklaringen. Gelet op dat alles zie ik niet dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk zou zijn, ook niet als ik uitga van het in het middel gestelde zeer hoge waarschijnlijkheidsvereiste. Evenmin acht ik de verwerping van het verweer dat het aangetroffen geld afkomstig is uit India, ontoereikend gemotiveerd. Ten overvloede merk ik nog op dat de omstandigheid dat de medeverdachte heeft gewacht met verklaren over de gestelde legale herkomst van het geldbedrag – anders dan de steller van het middel meent – geen ‘vermoeden’ is, maar een omstandigheid die direct is af te leiden uit de processtukken.