Conclusie
1.Feiten
Nedcool) is een onderneming die zich bezig houdt met het opslaan van levensmiddelen, waaronder appels en peren. Zij exploiteert daartoe een koelhuis.
Liander) is een regionale netbeheerder, die in onder meer de provincie Gelderland het elektriciteitsnet beheert.
2.Procesverloop
E-wet) bepaalt dat een netbeheerder verplicht is degene die daarom verzoekt binnen een redelijke termijn te voorzien van een aansluiting (waaronder begrepen verzwaring van een bestaande aansluiting) op het door hem beheerde net. Het derde lid van art. 23 E-wet bepaalt dat deze redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer de gevraagde aansluiting niet is gerealiseerd binnen achttien weken nadat het verzoek daartoe bij de netbeheerder is ingediend, indien het – zoals in dit geval – een aansluiting van minder dan 10 MVA betreft (rov. 4.6); [9]
het hof). Op 22 februari 2019 heeft een comparatie na aanbrengen plaatsgevonden, die niet tot een minnelijke regeling heeft geleid. Liander heeft vier grieven aangevoerd. Nedcool heeft verweer gevoerd.
3.Juridisch kader
E-wet).
wordt vermoedonredelijk te zijn. [19] Ook bij het wetgevingsoverleg heeft de minister bedenkingen geuit. [20] Een van de indieners, het kamerlid Hessels (CDA), heeft hier als volgt op gereageerd:
Deze aansluitingen dienen altijd binnen 18 weken te worden gerealiseerd. Het nieuwe artikel 23, derde lid, onderdeel b, van de Elektriciteitswet 1998, geeft een speciale, aanvullende, regeling voor het aansluiten van installaties voor duurzame elektriciteit en voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling. Ook indien de gevraagde aansluiting in dat geval meer dan 10 MVA betreft, dient die aansluiting binnen 18 weken gerealiseerd te worden. Alleen in uitzonderingsgevallen kan de netbeheerder een beroep doen op de in dat onderdeel opgenomen hardheidsclausule.”
De strekking van dit gedeelte van het amendement is dat de aansluiting er zo snel mogelijk moet komen, gelet op de mogelijke technische belemmeringen. Het is echter niet de bedoeling dat het om commerciële redenen kan worden uitgesteld.’
Anders dan Liander heeft betoogd zet het besluit van ACM haar derhalve niet aan tot discriminatoir handelen.”
transportcapaciteitbij schaarste op het net. Daarin is uitgemaakt dat in situaties van
contractuelecongestie (waarbij de netbeheerder zo veel van de capaciteit van het netwerkcapaciteit is gecontracteerd dat er voor latere aanvragers weinig of niets meer over is) geen grond vormt om te weigeren aan een netgebruiker op diens verzoek een door hem gevraagde hoeveelheid transportcapaciteit aan te bieden. [36] Daarbij is tevens geoordeeld dat een verdelingssysteem gebaseerd op ‘
first come, first serve’ (hierna:
FCFS-beginsel)
in strijd ismet het verbod van discriminatie bij de verdeling van transportcapaciteit. [37] Twee van deze zaken zijn inmiddels aanhangig bij de Hoge Raad. [38]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 2.1heeft het hof met dat oordeel miskend dat Liander gehouden, althans gerechtigd is die termijn te overschrijden indien naleving van deze termijn een schending van het discriminatieverbod uit art. 23 lid Pro 2 E-wet (oud) ten gevolge zou hebben.
niettoepassen van het FCFS-beginsel steeds tot gevolg heeft dat het discriminatieverbod wordt geschonden.
niethanteren, bijvoorbeeld door de volgorde van het afhandelen van verzoeken mede te laten afhangen van urgentie. Het FCFS-beginsel volgt evenmin rechtstreeks uit art. 23 lid Pro 2 E-wet (oud) of Richtlijn 2009/72/EG, op welke richtlijn (althans diens voorgangers) art. 23 lid Pro 2 E-wet (oud) is gebaseerd (zie hiervoor, 3.18-3.19). Zoals gezegd, hebben de voorzieningenrechters in Arnhem en Den Bosch juist geoordeeld dat het hanteren van het FCFS-beginsel
in strijd kan komenmet het discriminatieverbod (zie hiervoor, 3.22). [42]
dater sprake is van schending van het discriminatieverbod als Liander jegens Nedcool aan de achttienwekentermijn wordt gehouden (daargelaten de vraag welke gevolgen dat zou moeten hebben voor de verplichting tot naleving van de achttienwekentermijn). Dat oordeel brengt dan met zich dat de door Liander aangevoerde ‘onmogelijkheid’ eveneens onvoldoende uit de verf is gekomen. Immers is de door Liander aangevoerde onmogelijkheid gegrond op de veronderstelling dat met uitvoering van de overeenkomst het discriminatieverbod wordt geschonden. De verwerping van het ‘onmogelijkheids-verweer’ vindt dus niet zijn grondslag in de vraag of een tekort aan personeel een uitzonderlijke omstandigheid is die wel of niet voor rekening van Liander moet komen. Evenmin houdt dit oordeel in dat geen sprake was van onmogelijkheid omdat Liander nog kon nakomen door het discriminatieverbod te schenden. De subonderdelen 3.1 en 3.2 lopen hier op stuk.
subonderdelen 3.3 en 3.4richten zich tegen het door het hof overgenomen oordeel uit rov. 4.7 t/m 4.9 van het vonnis van de voorzieningenrechter (hiervoor weergegeven onder 2.3), voor zover daarin besloten zou liggen dat van onmogelijkheid tot nakoming geen sprake is omdat dit niet dusdanig nadelig was voor Liander dat nakoming niet van haar kon worden verwacht. De subonderdelen betogen dat het hof met het (overgenomen) oordeel blijk heeft gegeven van een te strenge opvatting van het begrip onmogelijkheid, althans dat het oordeel dat geen sprake is van onmogelijkheid onvoldoende is gemotiveerd. Eveneens onvoldoende gemotiveerd is volgens de subonderdelen het oordeel dat een (door Liander gesteld) tekort aan geschikt personeel geen uitzonderlijke omstandigheid is die buiten de invloedssfeer van Liander ligt en die het onredelijk zou maken om Liander aan de termijn van achttien weken te houden.