Conclusie
Nummer19/00790
Het eerste middel
eerstemiddel klaagt dat het hof de officier van justitie ten onrechte deels ontvankelijk heeft verklaard in de zaak met parketnummer 16-659508-16, terwijl het dossier geen klacht bevat, en onvoldoende blijkt dat aangeefster de wens tot vervolging had en tijdig kenbaar heeft gemaakt, zoals vereist in art. 66, eerste lid, Sr. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en ’s hofs verwerping van een verweer dat met het klachtvereiste verband houdt weer. Tevens maak ik enkele opmerkingen over het klachtvereiste.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van parketnummer 16-659508-16
to follow him to his room, to undress and to have sexual intercourse with him’ (ov. 8). Het OM besloot de zaak niet te vervolgen; de vader diende daarop een klacht ex art. 12 Sv Pro in. Die klacht leidde niet tot een bevel tot vervolging. Het gerechtshof ‘
considered it doubtful whether a charge of rape could be proved’ (ov. 12). En volgens het hof had het meisje, dat de dag voordat het feit plaatsvond 16 jaar was geworden, zelf een klacht moeten indienen wilde een vervolging wegens art. 248ter Sr (oud) tot een veroordeling kunnen leiden; de wet stond niet toe dat haar vader namens haar een klacht indiende. [3] Het EHRM oordeelde dat noch het toenmalige art. 248ter Sr noch het toenmalige art. 239, tweede lid, Sr, het slachtoffer ‘
practical and effective protection’ bood (ov. 30). De wettelijke regeling is rond die tijd aangepast. [4] Art. 65 Sr Pro voorzag er nadien in dat een klacht kon worden ingediend door de wettige vertegenwoordiger in burgerlijke zaken indien degene tegen wie het feit is begaan ‘aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet in staat is te beoordelen of zijn belang gediend is met de klacht’. Daarmee was de tekortkoming in de wettelijke regeling die tot de veroordeling door het EHRM aanleiding had gegeven verholpen. De uitspraak van het EHRM herinnert er evenwel nog steeds aan dat belemmeringen van het recht tot vervolging van strafbare feiten die uit het klachtrecht voortvloeien tot een schending van mensenrechten van het slachtoffer kunnen leiden.
NJ1994/278 m.nt. Van Veen oordeelde Uw Raad evenwel:
NJ2019/297 m.nt. Rozemond stond ter discussie welke betekenis aan de termijn van art. 66, eerste lid, Sr toekomt. Het hof had overwogen dat de overschrijding van die termijn er niet toe leidde ‘dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie is vervallen’. A-G Bleichrodt was van oordeel dat het tegen dat oordeel gerichte middel slaagde: ‘Daarmee wordt in wezen de klachttermijn buiten werking gesteld. Dat voert te ver. Een dergelijke operatie, die het resultaat zal zijn van rechtspolitieke afwegingen, is aan de wetgever’ (randnummer 14). Hij gaf daarbij aan dat in het concept van Boek 2 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering voorbereidingen in die richting waren getroffen. Bleichrodt liet voorts zien dat de wetgever begin deze eeuw de klachttermijn bij enkele zedendelicten heeft verlengd [8] , en merkt daarbij op: ’De wetgever heeft daarbij niet de keuze gemaakt de klachttermijn als bedoeld in art. 66, eerste lid, Sr als zodanig af te schaffen’. Uw Raad kwam eveneens tot het oordeel dat het middel terecht was voorgesteld, overwegend ‘dat in het geval dat voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. Ingeval de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.’ (rov. 4.3.2).
Het tweede middel
tweedemiddel klaagt dat het hof het verweer dat de verdachte diende te worden vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 16-661930-15 onder 11 tenlastegelegde wegens onvoldoende wettig bewijs ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
Het derde middel
derdemiddel behelst de klacht dat art. 63 Sr Pro ten onrechte niet is toegepast. De verdediging zou aangevoerd hebben dat het artikel van toepassing is; het gerechtshof zou tot een hogere strafoplegging zijn gekomen dan de rechtbank zonder met het artikel rekening te hebben gehouden. Het gerechtshof zou daarmee onvoldoende duidelijk hebben gemaakt bij de strafoplegging rekening te hebben gehouden met eerdere veroordelingen en indien nodig toepassing te hebben gegeven aan de beperking die de samenloopregeling aan de cumulatie van straffen stelt.
Het vierde middel
vierdemiddel klaagt over overschrijding van de inzendingstermijn.