Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
4.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
BESLISSING
5.Beslissing
21 april 2020.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond medeplegen van smaadschrift centraal, waarbij de verdachte samen met haar partner een artikel op een website plaatste waarin de vader en grootvaders van haar kinderen werden beschuldigd van seksueel misbruik. Het hof verklaarde het openbaar ministerie ontvankelijk ondanks dat één van de grootvaders zijn klacht niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden had ingediend. De Hoge Raad oordeelde dat dit verweer niet tijdig was gevoerd in het hoger beroep en dat cassatie hierover niet ontvankelijk is, omdat het een feitelijke beoordeling betreft.
Daarnaast klaagde de verdachte terecht dat het hof had verzuimd te beslissen over de kosten die door de verdachte en de benadeelde partij waren gemaakt in verband met de vordering van de benadeelde partij. De Hoge Raad stelde vast dat op grond van de toen geldende artikelen 361 en 592a Sv de rechter verplicht is in zijn uitspraak te beslissen over deze kostenverdeling.
Het hof had geen gronden gezien om een kostenveroordeling op te leggen, maar had wel moeten bepalen dat ieder zijn eigen kosten draagt. De Hoge Raad herstelde dit verzuim door het arrest te vernietigen voor zover het hof niet had beslist over de kostenverdeling en bepaalde dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad herstelt het verzuim van het hof en bepaalt dat benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen.