ECLI:NL:PHR:2020:965
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt strafoplegging wegens onjuiste strafmotivering bij Opiumwetzaak
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor het opzettelijk aanwezig hebben van 24 gram amfetamine en 4,8 gram MDMA. Het hof legde een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden op, mede gebaseerd op het strafblad van de verdachte, waarin een recent feit uit de zomer van 2019 werd betrokken. Dit recente feit betrof een dagvaarding wegens overtreding van de Opiumwet, maar was nog niet onherroepelijk veroordeeld.
De advocaat-generaal stelde in cassatie dat het hof ten onrechte rekening had gehouden met dit niet-onherroepelijke feit bij de strafoplegging. De Hoge Raad bevestigde dat het alleen is toegestaan om een niet tenlastegelegd feit mee te wegen bij de strafoplegging indien het feit ad informandum is toegevoegd en aannemelijk is dat geen vervolging volgt, het feit een omstandigheid betreft waaronder het bewezenverklaarde is gepleegd, of de verdachte onherroepelijk voor dat feit is veroordeeld.
In deze zaak was geen sprake van een onherroepelijke veroordeling of een ad informandum feit. Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het hof ten onrechte het niet-onherroepelijke feit heeft betrokken bij de strafoplegging. De Hoge Raad vernietigde daarom het deel van het arrest dat de strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe strafoplegging, waarbij het hof de straf opnieuw moet bepalen zonder het niet-onherroepelijke feit mee te wegen.
De overige onderdelen van het arrest werden door de Hoge Raad verworpen, zodat de veroordeling zelf in stand blijft. De zaak wordt dus alleen herzien voor wat betreft de strafoplegging.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde strafoplegging zonder rekening te houden met het niet-onherroepelijke feit.