Conclusie
Nummer19/04461
Het cassatieberoep
De zaak
De middelen
eerste middelhoudt de klacht in dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de verdachte door het gooien van een fles van korte afstand met aanzienlijke kracht bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangevers zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen.
AG: lees raadsvrouw), af dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij deze personen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, hetgeen ook daadwerkelijk het geval bleek te zijn bij [slachtoffer 1], die onder meer een blijvend litteken in het gezicht opliep. Dat het letsel bij [slachtoffer 2] uiteindelijk relatief beperkt is gebleven is niet aan de verdachte te danken.
NJ2012/503 m.nt. Keulen was de verdachte veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling door een glas tegen het gezicht van de aangever te gooien. De Hoge Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat de verdachte onder de uit de bewijsmiddelen blijkende omstandigheden opzettelijk een glas in de richting heeft gegooid van (één van) de personen die volgens hem ruzie maakten, onvoldoende grond vormt voor het oordeel dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Keulen merkt in zijn noot onder het arrest op dat een andere uitkomst denkbaar was als het hof in de bewijsvoering meer aandacht zou hebben besteed aan de wijze waarop het glas was gegooid, de afstand tussen de verdachte en de aangever, het lichaamsdeel waarop was gemikt en de risico’s van het gooien met glas.
NJ2012/503 m.nt. Keulen, waarnaar in de toelichting op het middel wordt verwezen, heeft het hof zijn oordeel doen steunen op vaststellingen die aan de bewijsmiddelen zijn ontleend over (onder meer) de wijze waarop is gegooid en de afstand tussen de verdachte en de beide aangevers. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte een fles in zijn handen had die hij als een soort knuppel bij de hals vasthield en dat hij deze fles bovenhands, met kracht, in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gooide, terwijl hij op enkele meters afstand van hen stond, op een kleine verhoging. De fles raakte [slachtoffer 1] vol in de kaaklijn en hals. Het oordeel van het hof dat verdachte door van korte afstand met aanzienlijke kracht een fles te gooien in de richting van [slachtoffer 1] de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de naast hem staande [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ten aanzien van de richting van de worp neem ik in aanmerking dat het hof weliswaar tot het bewijs heeft gebruikt de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat hij de fles op borsthoogte gooide, maar dat uit de bewijsmiddelen voorts blijkt dat de verdachte de fles vanaf een verhoging gooide en dat [slachtoffer 2] ter afwering van de fles zijn rechterarm omhoog deed en daarbij met zijn hand de onderzijde van de fles raakte.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat aan het voor de bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet niet afdoet dat niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid of de fles al dan niet reeds voor het raken van de hand van de aangever [slachtoffer 2] gebroken was.