Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het onder 4 bewezenverklaarde opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel niet uit de bewijsmiddelen kan volgen.
alsde fles hem had geraakt, de fles hem dan op zijn hoofd of bovenlichaam zou hebben geraakt (bewijsmiddel 9), kan worden afgeleid dat de kans dat de fles het slachtoffer op zijn hoofd zou treffen, op het moment van gooien aanmerkelijk genoemd kan worden. Dat is beslissend. Een kans is niet eerst dan aanmerkelijk als achteraf met zekerheid kan worden vastgesteld dat die kans zich zou hebben verwezenlijkt als het slachtoffer zich niet had verroerd. Ook als de fles het slachtoffer dan niet zou hebben getroffen, maar rakelings langs diens hoofd zou zijn gezoefd, is sprake van een poging en wel omdat vooraf de kans op een voltreffer op het hoofd aanmerkelijk was. Dat de fles het slachtoffer mogelijk op de borst zou hebben geraakt, doet aan de aanmerkelijkheid van de kans op hoofdletsel dus niet af.
tweede middelwordt aangevoerd dat de door het Hof ter zake van het vijfde bewezenverklaarde feit gebezigde bewijsmiddelen ongeoorloofde meningen, gissingen dan wel gevolgtrekkingen behelzen.
feiten, combineerde die met het feit dat de verdachte kort tevoren het advocatenkantoor geïrriteerd had verlaten, en trok uit dat geheel van feiten zelf de conclusie dat de verdachte de dader was.