Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
[verdachte]:
[medeverdachte 2]:
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 mei 2015.
[medeverdachte 2]van 26 mei 2015, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 3]van 19 mei 2015, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 3]van 26 mei 2015, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
[betrokkene 8]:
[betrokkene 20]:
[betrokkene 24]:
[slachtoffer 1]:
[slachtoffer 3]:
[slachtoffer 3]:
[betrokkene 25]:
[betrokkene 26]:
[betrokkene 27]:
[betrokkene 27]:
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
eerstemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde niet uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen kan volgen. In de toelichting op het eerste middel wordt gesteld dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat tussen de verdachte en de drie andere in de bewezenverklaring genoemde personen sprake is geweest van ‘een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur met als oogmerk het plegen van misdrijven’. Voor zover uit de gebezigde bewijsmiddelen zou kunnen blijken dat de verdachte zich heeft bemoeid met zakelijke werkzaamheden van deze personen, zou uit die vaststelling niet zonder meer volgen dat sprake is van een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Door uit het oogmerk van ‘het laten bestaan van een schijnconstructie’ af te leiden dat de organisatie het oogmerk had om misdrijven te plegen zou het hof een onjuiste uitleg hebben gegeven aan het bestanddeel ‘tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’.
tweedemiddel klaagt dat de bewezenverklaring berust op een onjuiste uitleg van het bestanddeel ‘deelnemen’ aan een criminele organisatie, althans dat de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring in dat opzicht niet kunnen dragen. In de toelichting wordt gesteld dat uit de vaststelling dat de verdachte zich heeft bemoeid met de zakelijke werkzaamheden van de andere in de bewezenverklaring genoemde personen niet zonder meer blijkt dat de verdachte in de zin van art. 140 Sr Pro heeft deelgenomen aan de organisatie. Uit de bewijsmiddelen zou niet zonder meer kunnen worden afgeleid dat de verdachte daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisatie bestaande oogmerk en derhalve aan die organisatie heeft ‘deelgenomen’.
derdemiddel klaagt over overschrijding van de inzendtermijn na het instellen van het cassatieberoep.