Conclusie
Nummer19/04338 E
eerstemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van feit 2 voor zover deze inhoudt dat de verdachte handelingen op de bodem heeft verricht waardoor de bodem kon worden verontreinigd, onbegrijpelijk is dan wel ontoereikend is gemotiveerd. Het hof zou in het midden hebben gelaten of de door de verdachte achtergelaten vaten en jerrycans al dan niet waren gevuld met een (vloei)stof. En zelfs als dat zou worden aangenomen zou uit de bewijsvoering niet kunnen volgen dat door het handelen van verdachte de bodem kon worden verontreinigd, nu het drugsafval geëmballeerd was. Alvorens ik het middel bespreek geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen, ’s hofs bewijsoverweging, alsmede passages uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie betreffende art. 13 Wet Pro bodembescherming weer.
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en ’s hofs bewijsoverweging
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 mei 2013 (…), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , brigadier respectievelijk agent van Regiopolitie Brabant Zuid-Oost:
Ten aanzien van feit 1
Art. 13 Wet Pro bodembescherming en rechtspraak terzake
NJ1994/99 leidde Uw Raad uit de parlementaire behandeling van de Wet bodembescherming af ‘dat de wetgever met art. 14 Wet Pro bodembescherming de mogelijkheid heeft geschapen om reeds, in afwachting van de totstandkoming van op de art. 8–13 berustende algemene maatregelen van bestuur, strafrechtelijk te kunnen optreden tegen, kort gezegd, bodembedreigende handelingen’.
NJ2000/445 zag de tenlastelegging op het zonder bodembeschermende maatregelen op de bodem opslaan van 16m3 paardenmest. Uw Raad overwoog dat noch van algemene bekendheid is noch uit de bewijsmiddelen kon volgen dat het opslaan van deze hoeveelheid paardenmest een handeling is waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Daardoor was de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed. In HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5126 werd een veroordeling eveneens gecasseerd. Uit de bewijsvoering van het hof kon niet zonder meer volgen noch was het volgens Uw Raad een feit van algemene bekendheid dat het achterlaten van de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen, in het bijzonder het plastic en de autobanden, een handeling betrof waardoor de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Voor een veroordeling wegens art. 13 Wet Pro bodembescherming is niet vereist dat het om een grote hoeveelheid verontreinigende stoffen gaat. HR 22 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9872,
NJ1995/438 betrof een veroordeling wegens het op straat vervangen van het motorblok van een auto door een ander motorblok, waarbij de politie constateerde dat olie uit dat motorblok op straat lekte.
Bespreking van het eerste middel
Het tweede middel; slot
tweedemiddel klaagt dat de inzendtermijn in de cassatiefase is geschonden.