Conclusie
1.Feiten en procesverloop
De arbitrageprocedure in twee instanties
bevrijdende betalingdoor de hoofdaanneemster aan de opdrachtgeefster, dat de vordering van de opdrachtgeefster derhalve op 1 juli 2009 (de datum waarop de bankgarantie was uitgewonnen) met een gelijk bedrag was verminderd en dat van verschuldigdheid van wettelijke rente over het door de opdrachtgeefster onder de bankgarantie getrokken bedrag reeds daarom geen sprake (meer) kon zijn. [10]
grievenstelselniet of niet juist heeft toegepast. [15] Meer in het bijzonder heeft de hoofdaanneemster zich verzet tegen de afdoening door arbiters van haar hiervoor in 0 onder (vii) vermelde
betalingsverweer(het beroep op een bevrijdende betaling van € 5.000.000,- per 1 juli 2009). Volgens de hoofdaanneemster had het appelscheidsgerecht dat verweer niet op formele gronden (als tardieve grief) mogen passeren, maar inhoudelijk behoren te behandelen. Nu het hier een essentieel verweer betrof, levert het niet inhoudelijk behandelen van dat verweer volgens de hoofdaanneemster tevens strijd op met de openbare orde, namelijk met het beginsel van hoor en wederhoor. [16]
Met betrekking tot de gestelde schending van de opdracht(rov. 3.6 e.v.): anders dan de hoofdaanneemster betoogt, heeft het appelscheidsgerecht in de arbitrale appelprocedure het grievenstelsel toegepast (rov. 3.7). Het appelscheidsgerecht heeft het betalingsverweer van de hoofdaanneemster onder ogen gezien en behandeld. Voor een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de beslissing op dat verweer is in deze vernietigingsprocedure geen plaats (rov. 3.11).
Met betrekking tot het gestelde motiveringsgebrek(rov. 3.12 e.v.): het appelscheidsgerecht heeft overwogen waarom aan het betalingsverweer van de hoofdaanneemster is voorbijgegaan. Van een sprekend geval dat tot ingrijpen van de burgerlijke rechter noopt, is niet gebleken. Evenmin kan worden gezegd dat het appelvonnis niet met redenen is omkleed (rov. 3.13).
Met betrekking tot de gestelde strijd met de openbare ordewegens schending van het beginsel van
hoor en wederhoor(rov. 3.14 e.v.): niet is gebleken dat de hoofdaanneemster in de arbitrale appelprocedure niet in de gelegenheid is gesteld om haar betalingsverweer te voeren en te onderbouwen. Dat zij door het appelscheidsgerecht niet is gevolgd in haar verweer, respectievelijk dat haar verweer op een formele grond niet inhoudelijk is behandeld, maakt niet dat het appelscheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden (rov. 3.15).
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleidende opmerkingen
Onderdeel 1heeft een inleidend karakter en bevat geen klachten. In dit onderdeel zet de hoofdaanneemster uiteen hoe zij het bestreden arrest leest (in verschillende varianten). Mijns inziens ten onrechte leest de hoofdaanneemster het bestreden arrest als volgt:
onderdeel 2. Zo niet, dan worden tegen het achterwege laten van die toetsing klachten gericht in
onderdeel 3. In beide lezingen stelt de hoofdaanneemster belang te hebben bij de klachten die in de
onderdelen 4 en 5worden gericht tegen rov. 3.11 en 3.15, waar het hof het beroep op schending van de opdracht en strijd met de openbare orde verwerpt. [22] Zoals hierna zal blijken, acht ik de eerstgenoemde lezing onjuist (alinea 2.8 e.v.).
onderdelen 2 - 3), de klachten over schending van de opdracht (
onderdeel 4) en de klachten over strijd met de openbare orde (
onderdeel 5). De op deze klachten voortbouwende ‘restklacht’ van
onderdeel 6behoeft geen afzonderlijke bespreking.
onderdeel 2.1). Hierop voortbouwend richt de hoofdaanneemster klachten tegen eventuele bijkomende argumenten die het hof, in de door het onderdeel veronderstelde lezing, ten grondslag zou hebben gelegd aan zijn veronderstelde oordeel over de juistheid van de toepassing van het grievenstelsel door die arbiters (
subonderdelen 2.2 - 2.4).
toepasselijkheidvan het grievenstelsel in de arbitrale appelprocedure bestaat geen discussie tussen partijen. Het hof is in rov. 3.7 uitgegaan van die toepasselijkheid. Daarover wordt in cassatie niet geklaagd. [23] Ook de website van de RvA vermeldt dat in RvA-procedures in hoger beroep het grievenstelsel van toepassing is. [24] Dit laatste blijkt eveneens uit gepubliceerde RvA-jurisprudentie. [25]
toepassingdie het appelscheidsgerecht in dit geval heeft gegeven aan de regels van appelprocesrecht die verband houden met het grievenstelsel, meer in het bijzonder de bekende ‘tweeconclusieregel’. Deze ‘in beginsel strakke regel’, die in vaste rechtspraak van de Hoge Raad is aanvaard, houdt in dat partijen in hoger beroep slechts éénmaal de gelegenheid krijgen om de gronden van het hoger beroep en het daartegen gevoerde verweer uiteen te zetten (behoudens uitzonderingen die hier niet aan de orde zijn). [26]
onderdeel 3.1). Indien het hof deze stellingname heeft verworpen op grond van zijn oordeel in rov. 3.13, dat de verwerping van het betalingsverweer door arbiters ‘met redenen omkleed’ is, heeft het hof volgens de hoofdaanneemster miskend dat het niet inhoudelijk meewegen van een essentieel verweer door arbiters wel degelijk een motiveringsgebrek oplevert (in de zin van art. 1065 lid Pro 1, onder d, Rv), althans dat dit (ook bij gebreke van een motiveringsgebrek) een schending van de opdracht en/of strijd met de openbare orde (in de zin van art. 1065 lid Pro 1, onder c en e, Rv) kan opleveren (
onderdeel 3.2).
terughoudendheidte betrachten bij zijn onderzoek of er grond bestaat voor vernietiging van een arbitraal vonnis op de voet van art. 1065 Rv Pro. Deze terughoudendheid berust op de gedachte dat een vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt als een ‘verkapt hoger beroep’, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in ‘sprekende gevallen’ dient in te grijpen in arbitrale beslissingen. [31]
motiveringsvereistevan art. 1065 lid Pro 1, onder d, Rv komt deze terughoudendheid tot uitdrukking. Aan de rechter komt niet de bevoegdheid toe om een arbitraal vonnis op deze grond ‘naar zijn inhoud te toetsen’. Uitsluitend indien een motivering ontbreekt of indien een arbitraal vonnis zo gebrekkig is gemotiveerd dat het met een geheel ongemotiveerd vonnis op één lijn moet worden gesteld, kan het vonnis op deze grond vernietigd worden. Van een motiveringsgebrek is slechts sprake als in het vonnis geen enkele ‘steekhoudende verklaring’ voor de genomen beslissing te ontwaren valt. [32]
procedureregelsdoor arbiters is voornoemde terughoudendheid geboden. [33] In dit verband geldt dat niet iedere schending van een in de arbitrageprocedure geldende procedureregel tot vernietiging van het arbitrale vonnis behoeft te leiden. Zelfs indien de schending ertoe leidt dat sprake is van strijd met de beginselen van een goede procesorde, moet art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv ‘naar zijn aard met terughoudendheid’ worden toegepast. Hierop heeft de Hoge Raad één, naar zijn aard eveneens beperkte uitzondering aanvaard: indien moet worden geoordeeld dat bij de totstandkoming van het arbitrale vonnis is gehandeld in strijd met het fundamentele recht van
hoor en wederhoor, is voor een terughoudende toepassing van art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv geen plaats. [34] Het gaat hier blijkens de rechtspraak om sprekende gevallen, die gemeen hebben dat procespartijen in de arbitrale procedure geen gelijke kansen hebben gekregen om hun standpunten te verdedigen. [35] In de vakliteratuur worden uit het beginsel van hoor en wederhoor met name drie processuele rechten afgeleid: het recht om relevante informatie te mogen ontvangen c.q. verstrekken (‘recht op rechterlijk gehoor’), het recht om op relevante informatie te mogen reageren (‘recht op tegenspraak’) en het recht om in gelijke mate gehoord te worden (‘
equality of arms’). [36]
essentiële stellingdoor arbiters kan een schending van de opdracht en/of een motiveringsgebrek in de zin van art. 1065 lid Pro 1, onder c en d, Rv opleveren. [37] Ook hier is terughoudendheid geboden. De c-grond is naar zijn aard beperkt tot ernstige gevallen, zoals art. 1065 lid 4 Rv Pro sinds 1 januari 2015 expliciteert. [38] De d-grond is zoals gezegd beperkt tot motiveringsgebreken die de beslissing geheel en al onverklaarbaar maken. Evenmin als de overheidsrechter zijn arbiters gehouden om te responderen op
allestellingen van partijen [39] en evenals de overheidsrechter kunnen zij stellingen
implicietverwerpen. [40] Een voorbeeld van de geboden terughoudendheid is een arrest uit 2006, waarin de Hoge Raad een beslissing casseerde die strekte tot vernietiging van een arbitraal vonnis wegens het passeren van een essentiële stelling door arbiters (met als gevolg dat arbiters een ‘verkeerde norm’ zouden hebben toegepast). Volgens de Hoge Raad kon desondanks niet worden gezegd dat het arbitrale vonnis een steekhoudende verklaring ontbeerde. [41]
in dit gevalgeen plaats is voor vernietiging van het arbitrale vonnis, gelet op de geboden terughoudendheid (rov. 3.5). Het hof kon tot dit oordeel komen zonder te onderzoeken of appelarbiters het betalingsverweer op goede gronden als een tardieve grief hebben aangemerkt. Het betrof hier een inhoudelijk geschilpunt (van procesrechtelijke aard [42] ) uit de arbitrale procedure, dat als zodanig niet ter beoordeling voorlag in de vernietigingsprocedure (vgl. rov. 3.9 en 3.11). Wel diende het hof te toetsen of aan de randvoorwaarden van art. 1065 lid 1 Rv Pro was voldaan. Dienaangaande heeft het hof, voor zover hier van belang, overwogen (i) dat arbiters het grievenstelsel hebben toegepast, zodat op dit punt geen sprake is van een schending van de opdracht (rov. 3.7), (ii) dat arbiters hebben overwogen waarom zij aan het betalingsverweer voorbij zijn gegaan, zodat het vonnis op dit punt met redenen is omkleed (rov. 3.13) en (iii) dat arbiters het betalingsverweer hebben behandeld en op formele gronden hebben verworpen, zodat op dit punt geen sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor (rov. 3.15). Deze overwegingen zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk voor de lezer. De klachten stuiten hierop af. [43]
gemotiveerdgepasseerd, zoals in dit geval door toepassing van het grievenstelsel, dan ligt de conclusie dat sprake is van een schending van het beginsel van hoor en wederhoor, nog minder voor de hand. Men bedenke hierbij dat het passeren van essentiële verweren op procesrechtelijke gronden ook in de overheidsrechtspraak aan de orde van de dag is. Ter vergelijking memoreer ik het in alinea 2.11 besproken arrest uit 2013, waarop de hoofdaanneemster in deze vernietigingsprocedure een beroep heeft gedaan. In dat arrest had het hof een toepassing aan het grievenstelsel gegeven die volgens de advocaat-generaal door de beugel kon, maar volgens de Hoge Raad niet. Hieruit blijkt dat men over de concrete toepassing van het grievenstelsel in individuele zaken redelijkerwijs verschillend kan denken. [47] Daarom voert het te ver om aan een beweerdelijk onjuiste toepassing van het grievenstelsel (of meer in algemene zin aan het passeren van een essentieel verweer op procesrechtelijke gronden) de vérstrekkende conclusie te verbinden dat het beginsel van hoor en wederhoor is aangetast. [48]
equality of arms’ oplevert. Daarbij wordt nog gewezen op het feit dat dit beginsel voor arbitrale procedures is gecodificeerd in art. 1036 lid 2 Rv Pro (nieuw), dat materieel gelijkluidend is aan het in deze zaak toepasselijke art. 1039 lid 1 Rv Pro (oud). [51] Hiervoor is al gebleken dat voornoemd uitgangspunt in zijn algemeenheid niet juist is (alinea 2.21 e.v.). Het onderdeel is daarom tevergeefs voorgesteld.
equality of arms’, door arbiters. Aan deze klacht ligt kennelijk de veronderstelling ten grondslag dat een niet-inhoudelijke afdoening van het betalingsverweer uitsluitend onder bijzondere, door het hof te expliciteren omstandigheden verenigbaar zou kunnen zijn met het beginsel van hoor en wederhoor. Op de al genoemde gronden lijkt mij die veronderstelling niet juist. De klacht faalt.