Conclusie
1.Inleiding
binneneen sector; die differentiatie kan ook nu nog geschil doen ontstaan, nu ook na 2019 nog een laag en een hoog premiepercentage gelden, afhankelijk van de duur van het arbeidscontract, zij het niet meer afhankelijk van de vraag of de arbeidsomvang vastligt.
primairdat ‘s Hofs oordeel dat de arbeidsomvang is vastgesteld in de zin van art. 28(1) Wfsv jo. art. 2.3(2)(a) Besluit Wfsv onverenigbaar is met de meer/ minderclausule.
Subsidiairstelt hij dat, ook als de arbeidsomvang contractueel wèl voldoende vast zou staan, het lage premiepercentage toch niet geldt omdat ook ná de eerste zes maanden de meer/minderclausule in de praktijk nog steeds wordt toegepast.
binnensectoren de premie (verder) gedifferentieerd: een laag sectorpremiepercentage voor werkgevers met duurzame arbeidscontracten en een hoog percentage voor de overige werkgevers. De Kamerbrief die deze wijziging aankondigde, stelt dat ‘vanaf de start van de dienstbetrekking de lage premie van toepassing’ is, opdat werkgevers beloond worden ‘die direct een arbeidsovereenkomst van een jaar of langer aanbieden’ en lijkt dus te impliceren dat uiterlijk bij indiensttreding wordt getoetst welk premiepercentage van toepassing is, en dat daarvan alleen wordt teruggekomen bij WW-instroom binnen een jaar of tussentijdse contractwijziging.
primairemiddelonderdeel dan ook dat slechts éénmaal, bij aanvang van de arbeidsrelatie, wordt getoetst aan de voorwaarden van art. 2.3 Besluit Wfsv, met name aan de eis dat de arbeidsomvang moet vastliggen. Tekst, toelichting en achtergrond van art. 2.3 Besluit Wfsv steunen dat standpunt, maar daaruit volgt niet dat ook meteen vanaf dat aanvangsmoment dat vastgelegde (minimum)aantal uren moet worden gewerkt. Tekst, geschiedenis en achtergrond sluiten niet uit dat voldoende is dat die vaste-arbeidsomvangperiode van minimaal een jaar pas aanvangt ná een flexibel half jaar. In de benadering van de Staatssecretaris zou een vast contract voor onbepaalde tijd, dat mede inhoudt dat de eerste maand een flexibele oproepmaand is, voor de volle looptijd onder het hoge tarief vallen, hoewel zo’n contract aan doel en strekking van de lage-premieregeling beantwoordt (minimalisering van seizoensgebonden WW-instroom). In ‘s Hofs benadering zou echter ook een veel langere flexibele voorperiode (vóór het vaste-arbeidsomvangjaar) overeengekomen kunnen worden, waarmee in wezen een nul-uren- of oproepcontract onder het lage tarief zou worden gebracht, wat de wetgever niet wilde.
Subsidiairstelt de Staatssecretaris dat de meer/minder-clausule in weerwil van het contract ook na het eerste halve jaar nog wordt toegepast, zodat het hoge tarief ook na zes maanden blijft gelden. Het Hof heeft dat echter niet vastgesteld en gaat daar kennelijk ook niet van uit. Wel heeft de Rechtbank een controlerapport van de fiscus geciteerd waar dat in staat en het Hof heeft dat overgenomen bij de feitenvaststelling, maar hij heeft er bij de beoordeling van het geschil niets over gezegd. Als het van belang is dat de uitvoering van de overeenkomst bij sommige werknemers afweek van de schriftelijke overeenkomst, moet de zaak dus terug naar de feitenrechter om die feitelijke uitvoering te onderzoeken, nu daarover kennelijk een nog niet beslecht feitelijk geschil bestaat. Mijns inziens is dat echter niet van belang.
BNB2014/191, dat er mijns inziens eveneens toe noopt om – bij afwezigheid van schijnhandeling en
fraus legis– de schriftelijke overeenkomst beslissend te achten. Gezien de genoemde Nota, het doel van de regeling en het kennelijke belang van de schriftelijke vorm, moet de fiscus, wil hij naheffen, mijns inziens bewijzen dat iets anders is overeengekomen dan de schriftelijke overeenkomst zegt of dat de werkgever
in fraudem legisheeft gehandeld. De fiscus heeft noch het een, noch het ander gesteld. Evenmin is gesteld dat enige van de werknemers binnen een jaar na aanvang van de vaste-arbeidsomvangperiode is ingestroomd in de WW, zodat mijns inziens het subsidiaire middelonderdeel strandt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
i.e.het bieden van meer arbeidscontinuïteit voor seizoenarbeiders, zulks tot vermindering van WW-instroom.
Op een later tijdstip voldoen aan de voorwaarden voor de lage sectorpremie
3.Het geding in cassatie
4.De wetgeving en de achtergrond daarvan
BNB2014/191 [9] zet het (tot 2020 geldende) systeem van WW-financiering als volgt kort uiteen:
binneneen wachtgeldfonds naar categorieën werkgevers (de MvT spreekt van een ‘verduidelijking’): [14]
binneneen sector verschillen in werkloosheidsrisico tussen categorieën werkgevers en de daaraan verbonden verschillen in wachtgeld/sectorfondsrisico te vergelden. Met het opvoeren van de financiële druk van werkloosheiduitkeringen op de wachtgeld/sectorfondsen door de verlenging van 13 weken naar een half jaar werden verschillen in risicoprofiel binnen een sector relevanter, zodat een heldere wettelijke grondslag voor premiedifferentiatie binnen een sector wenselijk was. Die differentiatie werd nog niet doorgevoerd naar categorieën werk
nemerszoals later in art. 28 Wfsv Pro. Premiedifferentiatie naar categorieën werknemers in plaats van alleen naar categorieën werkgevers werd mogelijk na de aanname van het wetvoorstel van 22 april 2004 tot ‘Wijziging van enkele sociale zekerheidswetten en enige andere wetten in verband met het aanbrengen van enige vereenvoudigingen’. [15] Art. II(I) van dat wetvoorstel luidde:
nemers: [16]
Huidige regeling
Premiegroepen op basis van de afgesproken duur van het dienstverband
nemers:
endeze wisselende omvang van de dienstbetrekking binnen een jaar leidt tot instroom in de WW, is alsnog de hoge premie van toepassing.” Dat strookt niet met de Besluittekst: tussen (ten 1o) en (ten 2o) in art. 2.3(2)(a) Besluit Wfsv staat immers ‘of’ en niet ‘en’ (zie de tekst in 4.9 hierboven): is de omvang van de arbeid niet eenduidig schriftelijk vastgelegd
ofbelandt de werknemer binnen een jaar in enige mate in de WW, dan is volgens de wettekst het lage percentage niet van toepassing.
BNB2014/191. [28] Over de per 1 januari 2016 ingevoegde zinssnede vermeldt de MvT bij de Wet Werk en Zekerheid slechts: [29]
5.Rechtspraak
BNB2014/191 [37] betrof de in art. 2.3(2) Besluit Wfsv gestelde eis dat de aard van de arbeidsovereenkomst moet blijken uit een schriftelijk stuk. De belanghebbende in die zaak had mondeling arbeidsovereenkomsten met haar personeel gesloten waarvan vast stond dat zij – behoudens de schriftelijke vorm – voldeden aan de eisen om voor het lage premiesector-percentage in aanmerking te komen: de arbeidsovereenkomsten waren voor ten minste een jaar aangegaan, de omvang van de werkzaamheden stond vast, en geen van de betrokken werknemers was binnen een jaar na aanvang van de dienstbetrekking uit hoofde daarvan op een WW-uitkering. De belanghebbende meende dat de eis van een geschrift niet volstrekt formeel moest worden toegepast en dat die eis buiten de ex art. 28 Wfsv Pro gedelegeerde bevoegdheid van de Besluitgever viel. Het Hof en uw A-G meenden dat het enkele ontbreken van een geschrift niet tot heffing naar het hoge tarief kon leiden als vast staat dat aan alle materiële eisen is voldaan. Zij zagen in de – in de wetsgeschiedenis niet-toegelichte - eis van een geschrift een bewijsregel die geen voorwerp heeft als geen geschil bestaat en dus niets bewezen hoeft te worden. U oordeelde echter dat het lage sectorpremiepercentage onder alle omstandigheden uitgesloten is bij ontbreken van de schriftelijke vorm, veronderstellende dat de wetgever uitvoeringsproblemen bij de fiscus wilde beperken:
BNB2014/191) achtte uw arrest juist:
6.Beoordeling van het middel
binneneen sector; geschillen daarover kunnen zich nog steeds voordoen, nu ook na 2019 nog onderscheiden wordt tussen een laag en een hoog premiepercentage afhankelijk van het arbeidscontract, zij het niet meer afhankelijk van de in deze procedure belangrijkste vraag, nl. of de arbeidsomvang voldoende vastligt.
primairdat slechts éénmaal wordt getoetst aan de voorwaarden van art. 2.3 Besluit Wfsv, in het bijzonder aan de eis dat de arbeidsomvang vastligt in de arbeidsovereenkomst. Tekst, toelichting en achtergrond van art. 2.3 Besluit Wfsv steunen die opvatting mijns inziens. De tekst bepaalt dat het lage tarief geldt als werknemers blijkens een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor ten minste een jaar of voor onbepaalde tijd in dienstbetrekking
zullenstaan tot de werkgever, tenzij de omvang van de te verrichten arbeid niet
isvastgesteld. De toekomstige tijd impliceert dat het toetsmoment niet later ligt dan het moment waarop de werknemer in dienst treedt. Het woord ‘is’ duidt er op dat wordt bezien wat ‘is’ afgesproken voordat de werknemer in dienst trad. Alleen als de werknemer binnen een jaar toch (uit hoofde van deze dienstbetrekking) een beroep op de WW doet, of als de overeenkomst wordt gewijzigd waardoor niet meer voor minstens een jaar de arbeidsomvang vastligt, wordt alsnog de hoge premie verschuldigd. Dat zijn de (enige) twee wettelijk vastgelegde ontbindende voorwaarden ter zake van het recht op de lage sectorpremie. In het geval waarin de overeenkomst wordt gewijzigd, moet die nieuwe overeenkomst weer op diens moment van aanvang wordt beoordeeld. De Kamerbrief waarin de medewetgever de regeling aankondigde (zie 4.6 hierboven) vermeldt dat de werkgevers beloond worden ‘die direct een arbeidsovereenkomst van een jaar of langer aanbieden’ en één van de doelen van de regeling is het bieden van baanzekerheid en arbeidscontinuïteit. Ook dat duidt op beoordeling bij aanvang van de dienstbetrekking.
dearbeidsperiode dan een
voorperiode lijkt te zijn. Ik meen daarom dat in elk geval voor de periode waarin de arbeidsomvang niet vastlegt, het lage tarief niet beschikbaar is (zie 6.8 en 6.9 hieronder).
waaromde belanghebbende dit soort vaste contracten met een flexibele voorperiode van zes maanden sluit. Inzicht in het antwoord op de vraag welk doel de clausule dient, zou kunnen bijgedragen aan de kwaliteit van de feitelijke beoordeling van de WW-instroom- en afwentelrisico’s en (dus) van het oordeel over de vraag of de belanghebbende het doel van de regeling diende of frustreerde.
tweearbeidsovereenkomsten had gesloten, één voor de flexibele voorperiode en één voor de daarop volgende vaste periode van een jaar, tijdens die eerste periode het hoge percentage zou hebben gegolden en tijdens die tweede periode het lage percentage, en dat er geen reden is om anders te heffen als die twee perioden in één contract worden gecombineerd.
fraudem legishandelde om het hoge percentage kunstmatig te frustreren. Maar als de schriftelijke overeenkomst de juridische werkelijkheid weergeeft en de materiële gewerkte-uren-werkelijkheid daarvan afwijkt, doet dat laatste niet af aan de beoogde baanzekerheid, noch aan de WW-instroombeperking. Beslissend daarvoor is immers of tussen de partijen geldt hetgeen zij schriftelijk zijn overeengekomen. Is mondeling meer of anders (nader) overeengekomen dan in geschrift, dan is hoe dan ook de hoge premie verschuldigd omdat dan niet voldaan is aan het vereiste van een schriftelijke overeenkomst. Dat blijkt uit uw in 5.1 hierboven geciteerde arrest HR
BNB2014/191, dat er mijns inziens eveneens toe noopt om – bij afwezigheid van schijnhandelingen en
fraus legis– de schriftelijke arbeidsovereenkomst beslissend te achten voor het sectorpremiepercentage. Gezien de geciteerde Nota, het doel van de regeling en het kennelijke belang dat u aan de schriftelijke vorm hecht, zal de fiscus mijns inziens - bij afwezigheid van WW-instroom binnen een jaar - moeten bewijzen dat in werkelijkheid iets anders is overeengekomen dan de arbeidsomvang in de schriftelijke overeenkomst, of dat de werkgever
in fraudem legisheeft gehandeld tot oneigenlijke verijdeling van het hoge premiepercentage.